Een casus: cadeau voor Martin van Rijn

Delen:

In mijn laatste blog (2 november) plaatste ik kritische, politieke kanttekeningen bij de reactie van staatssecretaris Van Rijn op de recente bevindingen van de Kinderombudsman. In deze blog wil ik graag duidelijk maken dat ik echter wel degelijk verheugd ben over zijn stellige en principiële uitspraak dat gemeenten niet op de stoel van hulpverleners moeten gaan zitten, dat dat niet kan en dat dat niet mag. Ik betwijfel of het doorgeven van namen van gemeenten die zich aan dergelijk gedrag bezondigen in het belang is van het kind en van het gezin. Dit zou kunnen leiden tot extra polarisatie, wat op zijn beurt weer zou kunnen leiden tot vergroting van de druk op kind en ouders. Maar dat de staatssecretaris zich uitdrukkelijk uitspreekt tegen een dergelijke opstelling van de kant van de gemeente is van groot belang. En om mijn waardering voor deze stellige positiebepaling uit te drukken doe ik de staatssecretaris hierbij een actuele casus cadeau, volledig geanonimiseerd om bovenvermelde reden maar daarom niet minder alarmerend.

Het gaat om een meisje van 9 jaar dat al jaren kampt met ernstige problemen en dat hiervoor ook al langdurig onder behandeling is bij een kinderarts. Het gaat deels om gebrekkige executieve functies ofwel denkprocessen, die vaak worden aangetroffen bij zowel autisme als ADHD, maar minstens zo typerend zijn sterke angsten, trauma’s, plotselinge boosheid of verdriet en gedragsproblemen. In de loop der jaren is de diagnose enigszins bijgesteld en recent is na uitgebreid psychologisch onderzoek geconcludeerd dat er sprake is van MCDD. Het kernprobleem is daarbij het regelen van emoties, met name het kunnen beheersen van angst en agressie: boosheid schiet snel door in woede en angst in paniek. Dit gaat veelal gepaard met snelle stemmingswisselingen, haat-liefde relaties, depressies en achterdocht. Het meisje heeft al diverse behandelingen ondergaan bij meerdere GGZ’s gericht op haar angsten, boosheid en trauma’s, maar zoals over het algemeen bij deze ontwikkelingsstoornis lijkt zij hiervan niet te profiteren. Er zijn helaas, zoals haar behandelend arts terecht constateert, eigenlijk ook geen specifieke behandelingen voor kinderen met dit soort problematiek.

Naar huidig wetenschappelijk inzicht is MCDD ook niet te genezen. Wel kunnen de kenmerken in verschillende leeftijdsfasen veranderen. Het enige wat erop zit is ermee leren omgaan. Rust, regelmaat en voorspelbaarheid zijn daarbij cruciaal. De opvoeding van een kind met dergelijke problematiek vraagt heel veel van ouders. Het gezinsleven wordt meestal volledig gedomineerd door de problemen van dit kind. Zoals te verwachten worden kinderen en ouders na jaren wekelijks afspraken met hulpverleners ook ‘therapie moe’. Dan is er van therapie al helemaal geen effect meer te verwachten. In zo’n fase bevindt zich het gezin in kwestie en volgens haar arts is het daarom verstandig om nu van behandeling af te zien. Om de continuïteit van zorg rond het meisje te garanderen is zij aangemeld bij een ervaren kinder en jeugd GGZ-praktijk in haar woonplaats. Zo kunnen regelmatig gesprekken plaatsvinden tussen ouders, kinderarts, GGZ en de educatieve voorziening waar zij eveneens gebruik van maakt en kan snel worden ingespeeld op veranderende situaties en levensfasen. En zo kan het aantal bezoeken aan instanties en daarmee de belasting voor het meisje en haar ouders zoveel mogelijk worden beperkt.

Een duidelijk en overtuigend verhaal. Toch blijkt de gemeente hier anders over te denken. In reactie op de aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor de begeleiding van het kind stelt de gemeente zich op het standpunt dat intensieve behandeling van het meisje bij een alternatieve, gecontracteerde zorgaanbieder noodzakelijk is. Men verwacht dat zij daardoor minder woede-uitbarstingen zal hebben, haar sociale vaardigheden zal vergroten en zal leren omgaan met uitgestelde aandacht en dat zij als gevolg daarvan kan functioneren in een groep en het komend jaar weer kan deelnemen aan passend onderwijs.

Eigenlijk spreekt de naïviteit over de beoogde doelen die de gemeente denkt te bereiken al boekdelen. Ik ga niet verder in op de snelle verharding in de toonzetting van de communicatie vanuit de gemeente richting de ouders. Waar het mij primair om gaat, is het opmerkelijke feit dat deze gemeente inderdaad pontificaal op de stoel van de hulpverlener plaatsneemt. Het is belangrijk dat de Kinderombudsman dergelijke opstellingen signaleert. Maar nog belangrijker is dat de staatssecretaris een dergelijke opstelling met zoveel woorden veroordeelt. Ik hoop dat hij zich op deze wijze nog vaak en krachtig laat horen.

Een gedachte over “Een casus: cadeau voor Martin van Rijn

  1. Ik lees tussen de regels door ook het kortetermijndenken. In mijn ervaring als ambulant (jeugd-)hulpverlener kom ik vaak de vraag tegen om een professionele ‘back up’ waar langdurig een beroep op gedaan mag worden, en wel vanuit de hulpvrager. Het is een feit dat sommige problemen niet volledig op te lossen zijn, ook niet door een intensieve behandeling.

    Natuurlijk is het voor iedereen het beste dat langdurige ondersteuning bij een instelling gebeurt. Daar is dan de bekendheid met het gezin en van het ’totaalplaatje’. En vanuit het gezin is er kennis van de werkwijze en vertrouwen in beschikbaarheid van de instelling.
    Maar de financieringsstructuur van jaarbudgetten laat zelden toe dat deze beste oplossing wordt ingezet. Het zullen de gemeentes zelf moeten zijn die doordrongen raken dat snel (en duur!) soms slechter is dan in het tempo van de vrager, dus langzaam (en goedkoper).

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *