Jongvolwassenen en strafrecht

Jongeren blijven steeds langer bij hun ouders wonen. Recent berichtte het CBS dat jongeren het ouderlijk nest gemiddeld pas verlaten als ze rond de 24/25 jaar oud zijn. Meer dan een miljoen Nederlanders tussen de 18 en de 30 jaar wonen bij hun ouders, merendeels jonge mannen. Pas tegen hun 30e woont de overgrote meerderheid op zichzelf; driekwart woont dan samen en zo’n 40% heeft inmiddels zelf een kind. Een vergelijkbaar langzame omslag zien we wat betreft werk: van de jongeren onder de 20 jaar werkt tegenwoordig nog maar 1 op de 5; pas tien jaar later is dat beeld  helemaal gekanteld en werkt nog maar 1 op de 5 niet.

In verband met deze demografische ontwikkeling wordt vaak gesproken van ‘emerging adulthood‘. Dit concept is gemunt door de Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog Jeffrey Arnett, die stelt dat er sinds de Tweede Wereldoorlog in de westerse wereld een aparte levensfase tussen de 18 en midden 20 is ontstaan. Deze fase wordt meestal aangeduid als ‘jongvolwassenheid’. In Duitsland gebruikt men er een aparte, iets beperkter term voor: ‘Heranwachsende‘ – jonge mensen tussen 18 en 21, die experimenteren met volwassen rollen maar daarvoor nog niet volledige verantwoordelijkheid nemen. Rond je 20e meteen gaan werken in een vaste baan en trouwen is in de westerse, post-industriële samenleving veel minder gangbaar geworden dan enkele generaties terug. Jongvolwassenen verkennen volwassen rollen op het gebied van werk en relaties maar stellen vaste rollen vaak langdurig uit.

Ook in de criminologie zijn er aanwijzingen dat jongvolwassen daders een aparte categorie vormen. Zo gaan de meeste jeugdige veelplegers na hun 18e nog een aantal jaren door met hun routineuze levenswijze, maar zijn ze daar eind 20 mee gestopt. Minstens zo opvallend is dat bij de meerderheid van de jongvolwassen mannen die in aanraking komen met politie en justitie dat pas rond hun 20e voor het eerst het geval is. Ook de overgrote meerderheid van deze adult onset-daders stopt daar eind 20 weer mee. In die zin kan de jongvolwassenheid ook vanuit criminologisch perspectief als een ‘experimentele’ levensfase worden beschouwd.

Er zijn ook andere, minder generaliserende invalshoeken. Dan wordt niet zozeer gesproken van een algemene, aparte experimentele levensfase, maar wordt geconstateerd dat onder de jongvolwassen daders personen voorkomen die eigenlijk nog niet als volledig verantwoordelijke volwassenen kunnen worden beschouwd. Zij lijken in hun gedrag eerder op adolescenten. Deze benadering steunt primair op klinische ervaringen. Vanuit de diagnostische en therapeutische bemoeienis met minderjarige en jongvolwassen daders en verdachten is de laatste decennia steeds sterker naar voren gekomen dat de gewetensontwikkeling bij velen van hen nog is achtergebleven, dat een belangrijk deel van hen lijdt aan stoornissen, vaak in combinatie met ontwikkelingsachterstanden en met een (licht) verstandelijke beperking. Daarnaast wijst uitgebreid testonderzoek uit dat adolescenten weliswaar gemiddeld rond hun 16e op cognitief niveau in principe tot vergelijkbare prestaties in staat zijn als volwassenen, maar ook dat dat voor een deel van de populatie, zeker degenen die (meermaals) in contact komen met politie en justitie niet opgaat. Deze visie heeft de laatste jaren een flinke boost gekregen vanuit de interesse in bevindingen uit het hersenonderzoek. Zo blijkt dat jeugdige en jongvolwassen verdachten vaak op cruciale ontwikkelingsaspecten met betrekking tot criminaliteit, zoals impulsbeheersing en empathisch vermogen, juist vaak nog verre van volgroeid zijn.

Het is tegen de achtergrond van deze nieuwe inzichten dat enkele jaren geleden in Nederland het zogeheten ‘adolescentenstrafrecht’ is geïntroduceerd. Waar voorheen al de mogelijkheid bestond om 18- tot 21-jarigen (bij hoge uitzondering) via toepassing van art. 77c Sr te berechten volgens het jeugdstrafrecht, is dit vanaf 1 april 2014 verruimd tot de 18- tot 23-jarige verdachten. Tegelijkertijd zijn de gronden voor zo’n beslissing verruimd. Waar eerder verstandelijke beperking tot zo’n beslissing leidde, geeft nu de mate van kinderlijkheid of onvolwassenheid de doorslag.
 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *