OTS om uitzetting te voorkomen?

Daan Beltman leverde prikkelend commentaar op mijn blog over het kinderpardon van 13 november. Hij beschouwt de argumenten waarmee ik afstand neem van het voorstel om onderzoek naar het belang van het kind in het vreemdelingenrecht te laten uitvoeren door de Raad voor de Kinderbescherming als ‘te kort door de bocht’. Ik kom hier graag op terug om mijn visie nader te preciseren. Allereerst wil ik echter opmerken dat we het waarschijnlijk over veel aspecten betreffende dit onderwerp eens zijn. Om te beginnen over het feit dat bloggen over deze materie eigenlijk per definitie te kort, veel te kort door de bocht is. Maar dat maakt de uitdaging om toch te proberen in een paar woorden iets zinnigs over deze complexe materie te zeggen er niet minder op. Ik wil dat doen door uiterst beknopt in te gaan op twee zaken die beide eind 2013 speelden.

De eerste zaak is weinig bekend en niet gepubliceerd (maar zie Cardol, Faber &Lourens, A&MR 2014). Het betreft een Irakees gezin in een uitzetcentrum, waarbij de Raad voor de kinderbescherming al eerder betrokken was naar aanleiding van een strafbaar feit begaan door de oudste zoon. Het gezin was in afwachting van een zogeheten Dublin-overdracht aan België. Voordat het gezin in vreemdelingendetentie was opgenomen waren er behalve het delict van de vijftienjarige zoon ook al andere, ernstige zorgen: de kinderen gingen niet naar school, twee waren suïcidaal. Na de plaatsing in het uitzetcentrum ging het verder bergafwaarts; de ouders verloren alle grip op hun kinderen. De Raad verzocht de rechter een OTS op te leggen, aangezien de ontwikkeling van de kinderen ernstig werd bedreigd en de ouders onmachtig bleken de problemen het hoofd te bieden (Rechtbank Noord Holland, 25 september 2013). Er lijkt weinig twijfel mogelijk: hier komt het jeugdbeschermingsrecht in beeld, ongeacht de verblijfsrechtelijke positie van het gezin. Uiteraard speelt als bijzonder verzwarende omstandigheid de spanning over het verblijf en het gevoel bij ouders en kinderen geen greep meer op het eigen leven te hebben een belangrijke rol. (Vergelijk de recente Mulock Houwer-lezing van Carla van Os, Broodje Pastrami: opvoeden in crisistijd die ik besprak in mijn vorige blog)

De tweede zaak is bekender en heeft veel meer aandacht gekregen en hiernaar wordt ook door Beltman verwezen (zie o.a. Jensma NJ Blog: de Uitspraak, 3 maart 2014). Het gaat om de tienjarige dochter van gescheiden Marokkaanse ouders die dreigde te worden uitgezet. De moeder vroeg de Raad om de rechter te verzoeken haar dochter een OTS op te leggen, om daarmee uitzetting naar Marokko te voorkomen. De Raad ging in op dat verzoek met als grond dat het meisje bang was voor de uitzetting, omdat ze volledig in Nederland was opgegroeid, Marokko nauwelijks kende en Arabisch noch Berbers sprak en omdat ze was getraumatiseerd door ervaringen in het verleden met huiselijk geweld en bang was voor haar vermoedelijk in Marokko wonende vader [link] . In tegenstelling tot de eerste zaak en in tegenstelling tot de suggestie van Beltman, zijn hier echter meerdere redenen voor twijfel over een koers op het inzetten van een jeugdbeschermingsmaatregel, zeker in het licht van het huidige, in januari 2015 herziene jeugdbeschermingsrecht.

Ten eerste en meest fundamenteel is het de vraag of het jeugdbeschermingsrecht hier niet op oneigenlijke grond werd ingezet. Er was immers overduidelijk geen sprake van falend ouderschap. Bezien we deze casus in het licht van het thans geldend jeugdbeschermingsrecht, dan dringt zich nog een extra probleem op. Dit voorbeeld staat namelijk op gespannen voet met de sinds 2015 uitdrukkelijk gestelde voorwaarde voor een OTS, dat er sprake moet zijn van niet of onvoldoende acceptatie door kind of ouders van de noodzakelijk geachte zorg (art.1:255, lid 1a BW). (In dezelfde lijn ligt dat de ouders in de nieuwe wet ook niet meer zelf kunnen verzoeken om een OTS.) Tenslotte resteert de vraag met welk pedagogisch perspectief in dit geval een OTS wordt verzocht? Die levert immers slechts uitstel van de uitzetting en geen afstel op. Dan is de vraag aan de orde of uitstel – en dus nog langer voortdurende onzekerheid en spanning – wel in het belang van het kind is.

We zijn het er uiteraard over eens dat de Raad een rol kan spelen bij zaken betreffende kinderen in het vreemdelingenrecht. Die rol dient zich echter te concentreren op de vraag of er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging in samenhang met mogelijk falend ouderschap. Dan kan door de Raad worden onderzocht of een jeugdbeschermingsmaatregel gerechtvaardigd is. Daarnaast zijn we het er denk ik over eens dat het belang van het kind in de vreemdelingenrechtelijke procedure een veel meer prominente plaats zou moeten krijgen en veel beter zou moeten worden gewogen, waardoor verleidelijk maar oneigenlijk gebruik van de OTS kan worden vermeden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *