Het recht van kinderen op een normaal leven

Toen O.J. Simpson zijn ex vermoordde, lagen zijn kinderen van 5 en 8 een verdieping hoger te slapen. Het is maar een minor detail in het televisie-epos over Simpson O.J.: Made in America, maar wel een veelzeggend detail. De kinderen werden opgevangen door zijn schoonouders, die het voogdijschap over hun kleinkinderen kregen. Zodra Simpson vrijkwam, eiste hij dat zijn kinderen bij hem kwamen. En ook dit met succes. Het was evident dat de kinderen jarenlang getuige waren geweest van zijn brute geweld tegen hun moeder en dat hij nauwelijks naar de kinderen omkeek, maar de rechter oordeelde dat zij een ‘sterke, positieve en gezonde band hadden’ met hun vader. Intussen liep de civiele zaak tegen Simpson al, waarmee nog eens werd onderstreept dat de kinderen zich, zolang ze in de buurt van hun vader zouden verblijven, nooit zouden kunnen losmaken van de traumatische ontdekking van de gruwelijke moord op hun moeder, de zware en onweerlegbare verdenkingen tegen hun vader en alle gekmakende verdraaiingen daaromheen.

Ik moest aan deze afstotelijke variant van een claim-cultuur denken bij het lezen van een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.   Een man had zeven jaar geleden zijn ex en haar nieuwe echtgenoot neergestoken. Hun dochtertje was getuige van de moordaanslag. Vlak voor haar ogen werd haar moeder levensgevaarlijk verwond en haar stiefvader vermoord. Haar vader en moeder waren twee jaar eerder gescheiden. Na de veroordeling van de vader krijgt haar moeder het eenhoofdig gezag over de dochter en wordt de vader het recht op omgang met de dochter voor onbepaalde tijd ontzegd. Daar legt de man zich echter niet bij neer. Hij eist omgang met zijn dochtertje en achtervolgt moeder en dochter. Zij zijn ondergedoken en verblijven op een geheim adres. De man stapt naar de rechter om de ontzegging ongedaan te maken en een omgangsregeling met zijn dochter te eisen. De rechtbank wijst de verzoeken af. Daar neemt de man geen genoegen mee; hij gaat in hoger beroep.

Het hof stelt een bijzonder curator aan om in gesprek te gaan met het meisje. Zij geeft aan dat zij hier zo min mogelijk mee te maken wil hebben en dat zij ook geen behoefte heeft aan een ‘kindgesprek’ bij het hof. Zoals te verwachten is de ervaring van de moordaanslag op haar moeder en stiefvader voor het kind extreem traumatiserend geweest. Uit de gesprekken met de bijzonder curator blijkt niet alleen dat deze gebeurtenis voor haar een onoverkomelijke belemmering is om tot contactherstel te komen. De curator maakt ook duidelijk dat haar angst voor haar vader nog steeds reëel is en heviger is geworden sinds de broer van haar vader haar tijdens een vakantie in Turkije heeft geprobeerd te ontvoeren. Ze voelt zich permanent bedreigd door de vader, mede door zijn aanhoudende gedram om omgang. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Net zoals alle kinderen met vergelijkbare traumatische ervaringen wil dit meisje voor alles een normaal, althans zo normaal mogelijk leven leiden en juist geen verstoring door een vader die steeds contact eist en die zelf de bron vormt van haar geschokte leven en van haar aanhoudend onveilige levensgevoel. Ze maakt duidelijk dat zij door het voortdurend aandringen van deze man wordt gehinderd om haar traumatische ervaringen achter zich te laten en ook niet los komt van de last van het geheim houden van dit verleden voor anderen. ‘Een normaal leven leiden.’ Zo onzeker als het lot van kinderen in de VS is, als het gaat om het respecteren van deze elementaire kinderwens, zo gerust kunnen Nederlandse kinderen zijn dat dit het uitgangspunt vormt voor de beslissing van de kinderrechter in ons land.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *