Rechter moet elke schijn van partijdigheid vermijden

Rechters moeten er bij de behandeling van een zaak altijd op letten de schijn van partijdigheid te vermijden. Om die reden komen rechters bijvoorbeeld de zittingszaal bij een strafzaak standaard niet tegelijk en door dezelfde deur binnen als de officieren van justitie. En zo zullen rechters doorgaans om dezelfde reden zeer terughoudend zijn met zowel ironische als lovende opmerkingen richting een van de partijen. En als een jongere of een van zijn ouders in een jeugdstrafzaak bijvoorbeeld wordt verzocht om even op de gang plaats te nemen, dan zullen de rechters altijd proberen duidelijk te maken dat ze dit verzoek doen in het belang van de jeugdige verdachte en zeker niet om hem te benadelen. Maar zo’n volstrekt onpartijdige, neutrale houding valt lang niet altijd mee. In jeugdstrafzaken bijvoorbeeld waar het bewijs overduidelijk is en de jongere glashard ontkent, kan dat best lastig zijn, zeker als de officier van zijn kant de jongere niet stevig aanpakt.

Als er echter een terrein is waar de schijn van partijdigheid absoluut moet worden vermeden dan betreft dat wel de vechtscheiding. In zo’n zaak achtervolgen de ex-echtelieden elkaar met inzet van alle juridische middelen en zijn ze er doorgaans in extreme mate op gespitst dat de ander op geen enkele manier wordt voorgetrokken. Rechterlijke beslissingen, woorden, gebaren, de toon en de houding, de wijze waarop partijen aan het woord worden gelaten en de ruimte die ze krijgen voor hun verhaal, alles wordt in zo’n zaak vaak met wantrouwen bezien en gevolgd. Rechters moeten bij dergelijke zaken dan ook extra behoedzaam te werk gaan om iedere suggestie van vooringenomenheid te vermijden.

Precies om die reden manoevreerde het gerechtshof Den Haag zich dit voorjaar in een kwestbare en aanvechtbare positie toen het tijdens de behandeling van enkele grieven tijdens een vechtscheiding aan de vader vroeg of hij soms de hoofdverblijfplaats van het kind wilde wijzigen. Toen de vader, die hierom niet had verzocht, dit vervolgens bevestigde stond het hof hem toe ter plekke zijn vordering te wijzigen. De griffier overhandigde de advocaat van de vader het oorspronkelijke appelschrift en het hof stelde de advocaat van de vader, ondanks protest van de moeder, in de gelegenheid om daar met de hand als nieuwe eis bij te krabbelen dat het minderjarig kind niet langer bij de moeder maar bij hem kwam wonen.

Begrijpelijkerwijs diende de moeder via haar advocaat daarop een verzoek tot wraking van de raadsheren in. Dat verzoek werd deze zomer behandeld en toegewezen door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De raadsheren van het Amsterdamse hof constateren dat deze handelswijze van hun Haagse collega’s bij de moeder de indruk heeft kunnen doen ontstaan dat zij de man ‘bij de hand hebben genomen’ bij de aanscherping van zijn verzoek. Hiermee is volgens het Amsterdamse hof de schijn van vooringenomenheid gewekt.

 

Bron:  Gerechtshof Amsterdam 18 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3244

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *