Herstel de fout: recentraliseer de jeugd-ggz

Terug naar de situatie van voor 2015, toen de jeugd-GGZ onder de zorgverzekeraar viel. Recentralisatie van de jeugdzorg, in elk geval van de jeugd-GGZ, schreef ik in juni 2017 in een blog. Om te redden wat er nog te redden valt. Op dat moment meldden de kinder- en jeugdpsychiaters zich bij toenmalig staatssecretaris Van Rijn. Het water stond hen en vooral hun jonge patiënten aan de lippen. Afdelingen voor kinder- en jeugdpsychiatrie van GGZ-instellingen moesten sluiten of het aantal bedden sterk reduceren, kinderen met zeer ernstige psychische problemen en stoornissen die eigenlijk direct zouden moeten worden geholpen, belandden maandenlang op wachtlijsten, zelfs crisisopvang voor de echt acute gevallen werkte inmiddels met wachtlijsten. De kinder- en jeugdpsychiaters en vele anderen, die werken in de jeugd-GGZ of daar als cliënt of ouder of anderszins bij betrokken zijn, hebben zich al ver voor de decentralisatie met goede argumenten verzet tegen het losmaken van de jeugd-GGZ van de GGZ voor 18 jaar en ouder en het feit dat hun professionele bemoeienis sinds 2015 onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt, dat wil zeggen onder de verantwoordelijkheid van 388 Nederlandse gemeenten.

Dat het er sindsdien niet beter op is geworden werd eind vorige maand helder verwoord door Manon Hillegers in haar oratie als hoogleraar Kinder- en Jeugdpsychiatrie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam met de fraaie titel ‘Onze kostbare kinderen’. In een interview in de NRC licht ze haar kritiek nog eens toe. Ze vertelt over de behandeling in Rotterdam van meisjes met anorexia, waarbij vaak een combinatie van psychiatrische en lichamelijke zorg noodzakelijk is, zoals dwangsondevoeding en bewaking van vitale functies. Alle bedden zitten vol; er is geen plaats voor een nieuw crisisgeval. Sinds vorig jaar mei heeft ze meermaals meegemaakt dat zo’n meisje het hele land is doorgestuurd. Er is een groot gebrek aan plaatsen, onder meer doordat opnamebedden worden afgebouwd ten gunste van lichtere hulp; doordat er wordt bezuinigd op specialistische zorg. Er ontbreekt landelijk overzicht en -regie. Er is gebrek aan psychiatrische expertise in wijkteams, waardoor ernstige problematiek niet tijdig wordt onderkend en doorverwezen.

Hugo de Jonge (CDA), oud-wethouder in Rotterdam en nieuwe minister van Volksgezondheid, stelde bij de ontvangst van de eerste evaluatie van de Jeugdwet alvast dat de ingeslagen route – de jeugdzorg bij de gemeenten – de juiste was gebleken. Een van de zaken die echter opvalt in het rapport, waar ik op 5 februari heel kort over berichtte, is dat daarin best een aantal kritische noten over de transitie wordt gekraakt – zo blijken veel ouders kritisch over de toegang tot de jeugdhulp en over de deskundigheid van de lokale teams, zijn er volgens de onderzoekers nog de nodige puzzels op te lossen en moet de beoogde transformatie volgens hen nog goeddeels op gang komen – maar wordt er nauwelijks aandacht besteed aan de ernstige gevallen en aan de kinder- en jeugdpsychiatrie als aangewezen specialisme voor dergelijke gevallen.

Wie daar goed naar kijkt en de ontwikkelingen heeft gevolgd kan niet anders dan met Hillegers constateren dat we helemaal niet op de goede weg zitten. Het onderbrengen van de kinderpsychiatrie bij de gemeenten is een principiële en kardinale fout. Een kind met een acute blindedarmontsteking wordt meteen opgenomen. Voor een kind dat gevaar loopt door een depressie en acute, suïcidale neigingen blijkt ‘na twee uur bellen geen enkele plek in het hele land beschikbaar.’

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *