De vader als detective

In Partycrash doet Roelof Broekman niet alleen verslag van een uit de hand gelopen tienerfeest. Hij besteedt bijna een derde van zijn boek aan een pedagogisch traktaat waarin hij duidelijk maakt hoe zoiets voorkomen kan worden. Ter onderbouwing zijn er wel referenties naar Einstein en Boeddha, maar die naar wetenschappelijk onderzoek ontbreken. In dit blog wil ik vooral commentaar leveren op Broekmans uitgewerkte  pedagogische ambities. Daarom houd ik het verhaal dat daartoe de aanleiding vormde en dat voor velen het lezen waard zal zijn zo kort mogelijk.

De vijftienjarige dochter van Roelof Broekman wil een feestje geven. Ze nodigt een twintigtal kinderen van school uit. Broekman en zijn vrouw gaan de deur uit maar overnachten niet verder dan vijf minuten van huis in een hotel. Er kan ge-sms’t worden als er iets gebeurt dat niet in de haak is. Er komen niet twintig maar veertig kinderen. In een besloten Whatsapp-groep blijkt de afspraak te zijn gemaakt om drank en wiet mee te nemen. Daar wist de dochter niets van. Als ze de meute ziet binnenkomen begrijpt ze onmiddellijk dat een sms’je aan haar ouders het einde van het feestje zou betekenen. De volgende dag bij thuiskomst zien de ouders dat er een computerscherm weg is, er een blender verdwenen en er is een Macbook onvindbaar. Buren aan de voor en de achterkant rapporteren flessenregens.

Broekman slaat aan het telefoneren, maar al snel blijkt dat hij tegen een muur van zwijgen aanloopt. De andere kinderen die hij aan de lijn krijgt laten niets los. Doordat er tegenwoordig geen vaste telefonie meer is kun je niet meer zo naar huis bellen. En als hij ouders weet te bereiken maken ze hem heel snel duidelijk dat hún kinderen zoiets nooit zouden doen. Het gaat stuk voor stuk om keurige, hoogopgeleide, mensen, dat wel. Broekman zoekt een aantal mensen thuis op, van wie hij vermoedt dat ze iets met de het uit de hand lopen van het feest te maken hebben. Op het gymnasium speelde al een diefstalzaak waar een paar jongens bij betrokken waren, die ook op het feestje waren geweest.

Broekman wil met zijn thriller laten zien is dat het morele verval niet, zoals veel mensen denken, een zaak van vmbo-ers is. Hij kwam het juist bij gymnasiasten tegen. Wat hem betreft is een van de oorzaken dat hun welvarende hoogopgeleide ouders de andere kant op kijken. Dat ze niet geïnteresseerd waren om hem te helpen om de zaak op te lossen maakte hem alleen maar bozer. In de roman heeft de boosheid van destijds plaatsgemaakt voor zelfspot, zegt hij in een interview in Met het ook op Morgen.

Dat intelligentie kinderen van onoorbaar gedrag zou kunnen vrijwaren is overigens een wijd verbreid misverstand. Weten dat iets niet mag is één, de handeling nalaten is iets anders. Broekman verbindt het gedrag van de gymnasiumleerlingen met de ontsporing van corpsstudenten tijdens ontgroeningen. Hij schroomt niet de corpora wat de structuur betreft te vergelijken met motorclubs. De clubs worden gekenmerkt door sterke onderlinge cohesie en ze hebben lak aan de rest van de wereld. Broekman denkt het ontstaan van de bankencrisis mede te kunnen herleiden tot een ontoereikende morele opvoeding van de bankiers. Was het maar zo dat we met een bepaalde pedagogische aanpak dergelijke excessen konden voorkomen. In zijn analyse van Dit kan niet waar zijn: onder bankiers (2015) komt Joris Luyendijk op grond van grondig participerend onderzoek tot de conclusie dat de bankiers in een amoreel systeem leven waaraan niemand zich blijkbaar aan weet te onttrekken. Het zijn allemaal keurig opgevoede jongens. Maar daar kan blijkbaar geen morele opvoeding tegenop. De klokkenluider blijft uitzondering. Het is sterk dat Broekman zijn pijlen op de op de kinderen van de welgestelden blijft richten. Het gaat hem uitdrukkelijk niet om de Marokkanen, waarvan we blijkbaar het steel- en lieggedrag kunnen verwachten en waarvan we weten dat ze voortdurend de schuld krijgen, terwijl de rijkeluiszoontjes uit de wind worden gehouden. (Marokkaanse jongens hebben overigens in het algemeen een strikte opvoeding genoten, waarin tal van elementen zitten die in de door Broekman gesuggereerde pedagogische oplossingen terugkomen).

Op pagina 173 van het boek wordt duidelijk waar de merkwaardige titel van het boek vandaan komt. Broekman blijkt de kunst van het niet uit de hand laten lopen van een feestje te vergelijken met het voorkomen van een vliegtuigcrash. Hij schrijft: ‘Een vliegtuigcrash is alleen mogelijk wanneer er zich een gelijktijdigheid of opeenstapeling van falen voordoet, zodanig dat een crash onafwendbaar is.’ En even verderop: ‘Maar wat als opleiding ontbreekt, zoals voor een ouderschapsdiploma, en het herkennen van mogelijke falen door gebrek aan kennis en ervaring moeilijk is.’ Het blijft lastig te begrijpen dat er in de opvoeding geen gegarandeerde uitkomsten bestaan. Echte betrokkenheid van ouders is vanzelfsprekend van levensbelang, maar ook ouders, op wie wat toewijding betreft  niets aan te merken is, kan het overkomen dat hun pubers op het slechte pad raken. Uit onderzoek weten we gelukkig al heel lang heel veel over de psychische ontwikkeling van adolescenten: Dat experimenteren en risiconemen bij de leeftijd hoort. Dat norm overschrijdend gedrag in deze levensfase het hoogst is. Dat de invloed van leeftijdgenoten veel groter is dan die van de ouders. Veel van deze kennis is de laatste decennia door hersenonderzoek bevestigd en tot vervelens toe uitgebreid opnieuw onder de aandacht gebracht. We lezen er bij Broekman niets over. We weten eigenlijk heel precies wat het opvoeden van adolescenten zo lastig kan maken. Dat de jongeren onderling een gesloten front vormen en niet onmiddellijk met de namen van schuldigen op de proppen komen is volstrekt voorspelbaar. De kunst van het liegen vraagt grote intelligentie, zoals onlangs nog eens in onderzoek werd vastgesteld.

Van veel van de pedagogische aanpakken die Broekman presenteert weten we ook op grond van onderzoek dat ze niet werken. De bootcamps waarmee hij op de proppen komt zijn bijvoorbeeld vanwege hun bewezen ineffectiviteit door de NVO (De beroepsvereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen) de leden al jaren geleden expliciet ontraden. Broekmans voorstel voor een soort maatschappelijke dienstplicht heeft het om een variëteit van goede redenen in Nederland nooit gehaald. De maatschappelijke stage, die wel een beperkt aantal jaren deel uitmaakte van het middelbaar onderwijs en die inmiddels weer is afgeschaft wordt door Broekman niet eens vermeld. Broekman kent de geschiedenis van de zorg voor de jeugd in Nederland niet, maar hij verbaast zich er wel over dat geen enkele Nederlandse gemeente de IJslandse aanpak experimenteert.

Zijn schets van de verandering van opvoeding en onderwijs in de afgelopen eeuw kan niet anders dan tekort schieten. Hij neemt daarbij zijn grootmoeder en zijn ouders als hoogst toevallige ijkpunten en schiet van het oude Sparta via de Middeleeuwen naar 1950. Volgens Broekman is vanaf 2000 het kind in het kleine moderne gezin het absolute middelpunt en beschouwen de kinderen de vader als lakei of privé-Sinterklaas. Maar de echte verandering wordt in zijn visie veroorzaakt door de smartphone die volgens hem ook aan de basis ligt van de het uit de hand gelopen tienerfeest van zijn dochter. Het probleem van de analyse van Broekman is dat hij geen idee lijkt te hebben van wat echt verandert en wat hetzelfde blijft. Vanaf het moment dat de mobiele telefoon halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw zijn intrede deed zijn de opvoedingsverhoudingen inderdaad veranderd. Ook over de aard van die veranderingen is inmiddels veel meer bekend dan Broekman ons voorhoudt. Maar het is zeker niet zo dat zijn partycrash in het presmartphone tijdperk niet had kunnen voorkomen.

Broekman heeft in zijn ogen in het drama dat hij beschrijft maar één kleine fout gemaakt. Verder lag het vooral aan de andere ouders die hun kroost voor hun achttiende al volledig vrij hebben gelaten. Zijn minimale vergissing was dat hij niet had gezien dat zijn vijftienjarige dochter nog te jong was om de verantwoordelijkheid aan te kunnen. In zijn boek refereert hij op een ander plek aan een dertienjarig meisje dat haar vechtende gescheiden ouders voor de rechter sleept om behoorlijke verhoudingen af te dwingen. Hoe kan hij zijn dochter zo lichtvaardig vrijpleiten en zo hard oordelen over de liegende en stelende jongens uit het verhaal? Broekman treft het verwijt dat hij andere ouders voortdurend maakt. En wat meer is, als het om het eventuele drank- en drugsgebruik van zijn dochter gaat dekt hij zich nu al in. ´Vera kan ons niets verwijten. Ze weet luid en duidelijk hoe wij er over denken.’ De achtergrond van de inzet van de verhoging van de wettelijke minimumleeftijd voor het gebruik van alcohol is helder en op overtuigend wetenschappelijk onderzoek gebaseerd. Alcohol is desastreus voor hersenen in de groei en hoe later ze er mee beginnen, hoe kleiner de kans op excessief gebruik en verslaving later. Probleem is dat met de invoering van een wettelijke maatregel de experimenteerdrang van zestien- tot achttien jarigen niet verdwenen is. Die experimenteerdrang hebben adolescenten overigens hard nodig om de complexe wereld te kunnen ontdekken waar ze als volwassenen deel van gaan uitmaken.

Het grootste probleem van de aanpak van Broekman is dat hij volledig inzet op controle. Nergens is er echte aandacht voor de pedagogische ruimte die kinderen nodig hebben om zelf hun weg te kunnen vinden. Geobsedeerd door het fenomeen van de vermaledijde smartphone wil hij bijvoorbeeld best nadenken over het gebruik van de volg-app waarmee ouders in Zuid-Korea het telefoongebruik van hun kinderen kunnen monitoren. Ik neem zomaar aan dat hij ook wel zal voelen voor het social credit system dat in 2020 in heel China ingevoerd gaat worden. Elk lid van de samenleving wordt door de overheid voortdurend door middel van camera’s gevolgd. Als een bepaald quantum overtredingen wordt overschreden wordt men uitgesloten van hypotheekverstrekking en gebruik van openbaar vervoer. Hij zou uit zijn verhaal ook hebben kunnen leren dat in de Nederlandse omstandigheden volledige controle onmogelijk is. Hij heeft echt geprobeerd zijn partycrash te voorkomen. De school nam contact op met hem op om na te gaan of er geen verkeerde namen op het uitnodigingenlijst van zijn dochter stonden, en toch ging het mis.

In het hoofdstukje ‘Over taal en werkelijkheid’ besteedt Broekman aandacht aan de straattaal op social media. Nadat ze hun dochter verboden hebben om bij vriendinnen te overnachten sturen de dames een sms’je aan Broekmans vrouw met de tekst: ‘We vinden het heel erg kut als Vera er vannacht niet bij is, mevrouw. Mag het toch niet?’ Hier zou een analyse op zijn plaats zijn geweest van de wijze waarop sociale media onontkoombaar tot taalverruwing leiden. Maar bij Broekman is er alleen afschuw en nog niet een begin van analyse. Broekman mag wat de taalverloedering betreft overigens best de hand in eigen boezem steken. Zijn relaas bestaat uit een aaneenschakeling van korte hijgerige zinnen. Het is een opeenstapeling van halve frasen zonder werkwoorden. Die stijl hanteert hij niet alleen in zijn roman, maar ook in zijn pedagogische verhandeling.

Moeten we ouders nu afraden om Partycrash te lezen? Het kan na het bovenstaande relaas verrassend klinken, maar Ik zou het lezen van het boek sterk willen aanraden. Het waargebeurde verhaal is als tekening van de tijd beslist de moeite waard. Wat de kwaliteit van de thriller betreft ben ik bijvoorbeeld wel benieuwd of de lezer het met Broekman eens is dat hij zijn rol als detective echt met zoveel zelfspot weet te beschrijven. Het boek als geheel, inclusief het pedagogische traktaat, is zelfs geschikt om met ander ouders op school te bespreken. De lezer moet me dan wel beloven dat daarbij iemand wordt uitgenodigd die wel op de hoogte is van wat we wetenschappelijk allemaal al weten over de opvoeding van adolescenten in de tijd van de smartphone. Want in het boek lopen wat dat betreft zin en onzin voortdurend door elkaar. Broekman schrijft: ´Kinderen dagen ons uit. En dat heeft een goede reden. Omdat de natuur die ze in zich dragen begrijpt dat ze sterker worden van een goede opvoeding.´ Het probleem van adolescenten is nu juist dat zij zelf én hun natuur vaak absoluut geen behoefte hebben aan welke opvoeding dan ook.

Tot slot  een eigen herinnering. Ouders van een klasgenoot van mijn middelbare school lieten hun zoon in de zomermaanden wekenlang alleen thuis, terwijl ze zelf uitgebreid op vakantie gingen. Hij had geen zin gehad om mee te gaan, maar toen ze vertrokken waren bleek snel waar zijn voorkeur wel naar uitging. Een aantal vrienden trokken bij hem in en het was eigenlijk iedere avond feest geweest. Soms bleven er wel twintig mensen slapen en zo was er geen plek in huis onbenut gebleven. Toen de ouders van vakantie terugkwamen bleek de hele wijnvoorraad er doorheen gejaagd te zijn en het tafelzilver spoorloos verdwenen. Toen de schade was opgemaakt sprak eenieder er schande van, zowel van het gedrag van de ouders, als van het gedrag van de zoon. We schrijven 1962, zo´n halve eeuw voordat de smartphone aan zijn onstuitbare opmars begon.

Roelof Broekman (2018). Partycrash. Hoe het feestje van een 15-jarige gymasiaste volledig uit de hand liep. Maassluis: Uitgeverij de Brouwerij. ISBN 9789078905905 206 pp.

 

Een gedachte over “De vader als detective

  1. Beste Bas Levering, hartelijk dank voor je interessante analyse van mijn boek. Ik ben geen pedagoog (en heb daar geen enkele ambitie in), ik ben zelfs geen wetenschapper. Nooit geweest en nooit willen zijn. Ik ben kunstenaar. Ik schrijf poëzie, romans, ik componeer muziek, soms vrij, soms in opdracht, en maak videokunst. (On)gelukkigerwijs ben ik tegen deze casus aangelopen. Ik heb mijn vertrouwde pen gebruikt om in een bewust gekozen stijl, snel en kort door de bocht, een lezer iets te laten voelen van wat er door je heen gaat als ouder als je te maken krijgt met drank, vernieling en diefstal en je daar geen raad mee weet. Excuus als ik met mijn nabeschouwing, meer is het niet, teveel op het terrein van de pedagogiek terecht ben gekomen. Maar het staat mij gelukkig vrij het woord te nemen en, ik geef toe: soms wat wilde en spontane, suggesties te doen, al stelt het boek voornamelijk vragen en trek ik menig suggestie zelf in twijfel. De aandacht die het boek in de huidige maatschappelijke discussie rond het kind, de smartphone en het drankgebruik krijgt verrast mij. Maar waarom raak ik een snaar in de samenleving? Ik vind opvoeden moeilijk en ik zit nog steeds met veel vragen. Mijn best moedige acties (ik ben, nogmaals, geen pedagoog, geen psycholoog, geen jongerenwerker, geen held) die ik heb ondernomen tijdens mijn razende zoektocht naar de daders van het gymnasium heeft wel een prachtig inkijkje gegeven in hoe deze jongens opereren, wat hun houding is tegenover gezag, tegenover een vriendin, tegenover mij, hoe slim en listig whatsapp werd ingezet om de feestgangers te intimideren en zo te verhinderen dat de waarheid boven tafel zou komen. Kortom: je hebt volkomen gelijk met je analyse als je de wetenschappelijke meetlat langs Partycrash legt, en je hebt ook gelijk als je aanraadt mensen dit te lezen, met gepaste afstand, slechts als grond van discussie, of wat mij betreft met veel plezier, en wellicht als begin van weer nieuwe pedagogische inzichten in een zich in rap tempo veranderende samenleving.
    Met vriendelijke groet, Roelof Broekman, schrijver van Partycrash

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *