Dat ouders maar wat zouden doen is pertinent onjuist

Voor de meeste geïnterviewden is de kop boven een kranteninterview een volslagen verrassing. Dat zal ook voor het ‘Alle ouders doen maar wat, en dat is prima’ dat boven het vraaggesprek van Janthe Schadat met René van der Veer in de Volkskrant van 29 juni 2018 stond afgedrukt gegolden hebben, maar ik betwijfel of van der Veer er ontevreden mee is geweest. Het boek, dat de aanleiding tot het interview vormde en die sfeer ademt, kwam vier jaar geleden uit. In Opvoeden voor beginners. De zin en onzin van opvoedingsadvies laat Van der Veer vooral zien dat het met de wetenschappelijke onderbouwing van het opvoedingsadvies slecht is gesteld. En wat meer is, hij voert sterke argumenten aan voor de stelling dat het met die wetenschappelijke onderbouwing ook wel nooit wat zal worden. De RCT (de randomized control trial), het onderzoeksdesign dat het wetenschappelijke bewijs moet leveren, is voor  het onderzoek naar de effectiviteit van opvoedingsmethoden eigenlijk nooit in te zetten.

Constateren ‘dat ouders maar wat doen’, is één, ‘dat prima vinden’ is natuurlijk nog wel even iets anders. Wat ouders volgens Van der Veer overal ter wereld vaak onbewust doen is al naar gelang van ideaalbeelden, die cultureel sterk kunnen verschillen, bepaald gedrag belonen en ander gedrag negeren of bestraffen. (Dat negeren zal overigens vaak veel moeite kosten. Ouders hebben een sterke neiging om te reageren en het valt velen van hen zwaar op professioneel advies, om in voorkomende gevallen aan bepaald gedrag van kinderen maar geen aandacht te besteden, gevolg te geven). Helder is dat bij Van der Veer een smalle definitie van ‘opvoeden’ opgeld doet; hij vat opvoeden op als gedragsbeïnvloeding’. Helder is ook dat Van der Veer eigenlijk alleen maar aandacht besteedt aan de omgang en verzorging van het jonge kind, met aandacht voor kwesties als eten, slapen, huilen, poepen en plassen.

Het verhaal van Van der veer is aangenaam relativerend. Hij maakt duidelijk dat opvoedstress historisch gezien een recent fenomeen is en dat de zorg van ouders eeuwenlang uitging naar het voorkomen van een vroege dood en dat ze daar maar weinig aan konden doen. We realiseren ons inderdaad maar zelden dat de kindersterfte pas vanaf het einde van de 19de eeuw is gaan dalen. Maar ook is het besef dat de culturele verschillen in de opvoeding immens zijn, maar al te vaak ver te zoeken, en ook dat dat heel veel met verschillen in opvoedingsdoelen te maken heeft. In Maleisië is men uit op gehoorzame en dienstbare volwassenen, in Nederland willen ouders dat hun kinderen intelligent, ondernemend en gelukkig worden. Dat het inderdaad zelfs de vraag is of het zoveel uitmaakt welke aanpak je als ouders kiest illustreert van de Veer met een eigen voorbeeld. De kinderen van bevriende ouders die de opvoeding fundamenteel anders aanpakten kwamen ook goed terecht.

Toch vind ik het advies, dat Van der Veer in aansluiting op het ontbreken van wetenschappelijke bewijzen aan ouders geeft, onbevredigend. Zijn ‘Maak het uzelf niet te lastig, en vertrouw op uw eigen onderbuik’ zet een verkeerde toon. Niet alleen omdat we de onderbuik in het algemeen uitdrukkelijk verbonden achten met de meest onaantrekkelijke emoties, maar ook omdat door dat advies buiten beeld raakt dat er veel wetenschappelijke kennis beschikbaar is over wat je in de opvoeding echt maar beter kunt laten. Wat mij betreft is het dus juist prima dat er bijna geen ouders zijn die maar wat doen en dat die ouders aan dergelijke kennis veel kunnen hebben. Het is vanzelfsprekend nobel dat Van der Veer ouders van de opvoedstress wil verlossen, maar ronduit negatief dat hij met zijn aanpak wel eens lelijk brokken zou kunnen maken.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *