ELS (Early Life Stress) gaat overal en nergens over

Op 15 november liep de discussie naar aanleiding van een slordig artikeltje in het Algemeen Dagblad ineens wel heel hoog op. Dreumesen van één en twee jaar zouden al moeten worden getest op stress. Want kinderen die in hun eerste levensjaren last hebben van chronische stress, hebben op latere leeftijd grotere kans op gezondheidsklachten, zoals een burn-out. Volgens het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) leven we op een tijdbom.

De website van NCL geeft nauwkeurige informatie:  Early Life Stress is schadelijk voor de fysieke en mentale ontwikkeling van kinderen en kan grote gevolgen hebben op latere leeftijd. Het tast de ontwikkeling, hersenen en organen van kinderen aan en kan op volwassen leeftijd zelfs zorgen voor serieuze gezondheidsproblemen zoals hart- en vaatziekten, burn-out, depressie en verslaving. Het stressnetwerk ontwikkelt zich met name in de eerste 1000 dagen van een kind (-9 maanden tot 2 jaar) en in de adolescentiefase (13-24 jaar). Juist tijdens deze fasen is een kind dus kwetsbaar voor ELS. De maatschappelijke gevolgen zijn groot en de kosten hoog. Voor de behandeling van de problemen is weliswaar hulp en zorg in de aanbieding, maar volgens het NCJ is voorkomen beter dan genezen. Een goede basis in de jeugd is nodig voor gezonde volwassenen en een gezonde maatschappij. Wie kan het daar nu mee oneens zijn?

Frans Verroen van de Universiteit van Maastricht, betrokken bij het advies van het NCJ, lichtte de onderzoeksplannen toe in het Radio1 programma Spraakmakers. Hij wil het stressonderzoek niet beperken tot de jonge kinderen maar juist uitvoeren bij alle jeugdigen tussen 0 en 18 die daarvoor geïndiceerd zijn. Er moet volgens Verroen een goed onderscheid worden gemaakt tussen positieve of tolerabele stress, dat is stress door de jachtige maatschappij. Die stress kan tot op een bepaalde hoogte een normale uitwerking hebben op je gezondheid, sterker ze kan zelfs beschermend werken omdat je daar een soort stressbuffer mee opbouwt om op latere leeftijd op een adequate manier met stress te kunnen omgaan. Verroen en het NCJ nemen het feit dat de maatschappij sneller en drukker geworden is blijkbaar volkomen voor lief. Als we aan preventie denken kunnen we uitsluiten dat het NCJ aan die kant met reparatievoorstellen zal komen. Ouders zullen kinderen de kans moeten geven om te leren van vormen van stress, zoals een valpartij of een klein verlies. Zo kunnen ze volgens het NCJ beter omgaan met zwaardere stress op latere leeftijd.

Verroen wil overigens niet zomaar een screening op alle kinderen tussen 0 en 3 loslaten, al is hij wel een voorvechter om met stressmetingen bij die kinderen die het in onze maatschappij het wat minder goed getroffen hebben. Het gaat hem om kinderen die chronisch lijden aan een hoge mate van stress, de zogeheten toxische stress. Het is de chronisch toxische stress die tot allerlei complexe gezondheidsproblemen kan leiden op latere leeftijd. Verroen wil dus beginnen met de kinderen die mishandeld, verwaarloosd en misbruikt worden. In het geval van dergelijke misstanden zou hij graag een follow up doen met stressmetingen. We hoeven er volgens hem niet aan te twijfelen dat die kinderen bloot staat aan chronisch toxische stress. Op de vraag hoe we die kinderen in beeld krijgen antwoordt hij er op te hopen dat die kinderen in het grote veld van de jeugdgezondheidszorg gedetecteerd worden. Het is hem blijkbaar niet bekend dat daar allerlei haken en ogen aan zitten. Wel heeft hij een oordeel over de kwaliteit van ‘de goedbedoelde interventies’ die die volgens hem doorgaans worden ingezet. Hij stoort zich aan het feit dat er geen gebruik wordt gemaakt wordt van de mogelijkheid om de kinderen door middel van biomarkers te volgen en stoort zich aan het feit dat de follow up beperkt blijft tot vragen als ‘Hoe gaat het met dit kind?’ aan ouders of leerkrachten. In eigen onderzoek met een steekproef van 300 kinderen, waarin naar stressaspecten gekeken is, werden volgens Verroen wel degelijk vastgesteld dat er sprake is van stress op het moment dat ouders zelf ook stress hebben. Wie zou daar nu weer van staan te kijken?

Wat is nu kwaliteit van de biomarkers? Als het om heel jonge kinderen gaat kan stress nog niet in het speeksel worden aangetoond, moet ook NCJ adjunct-directeur Frans Pijpers in de Volkskrant toegeven. De aanmaak van cortisol fluctueert op jonge leeftijd nog te sterk. Cortisol biedt hoe dan ook een onbetrouwbare maat. Als het om de relatie tussen de hoeveelheid stress en de hoeveelheid cortisol gaat zijn de individuele verschillen ook bij volwassenen groot. In het onderzoek naar stress lijkt de inzet van biomarkers hoe dan ook niet de aangewezen weg. In tegenstelling tot wat Frans Verroen suggereert blijft goede observatie van de kinderen en deskundige bevraging van de ouders veruit superieur. Dat vindt ook stress-expert en psychiater Witte Hoogendijk van het Erasmus Medisch Centrum.

De vraag dringt zich op hoe het mogelijk is dat het NCJ, het innovatie- en kenniscentrum van de jeugdgezondheidssector, zo vervreemd van de praktijk van die zorg en haar maatschappelijke context opereren kan. Mogelijk is het allemaal juist een gevolg van de druk die er tegenwoordig ook op het fundamentele kwantitatieve onderzoek in de bio-medische sfeer wordt uitgeoefend om resultaten te leveren die praktische toepasbaar zijn. Het paradoxale is dat dat die praktijk op deze manier eerder frustreert dan bijstaat. Er is hoe dan ook er dringend behoefte aan een scherpe discussie over zin en onzin van vroegtijdige erkenning. Alle genoemde deskundigen weten maar al te goed dat bij het verband tussen chronische stress en gezondheidsproblemen later niet om een enkelvoudig causaal verband gaat. Dus, waar hebben we het eigenlijk over?

In het programma Stand.nl  was 17 procent van de 569 van de stemmers het met de stelling ´Er moet een stressmeting komen voor kinderen onder de drie jaar´ eens. 83 procent was het oneens. Maar dát zegt natuurlijk niets.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *