Waar zijn de adviezen over alcoholgebruik onder jongeren eigenlijk op gebaseerd?

In het nu bijna voorbije jaar is de omvang van het replicatiedrama in de sociale wetenschappen weer een stuk duidelijker geworden. 24 wetenschappers rapporteerden in augustus in Nature over de herhaalbaarheid van 21 studies uit Nature en Science gepubliceerd tussen 2010 en 2015 (Camerer e.a 2018). In 8 van de gevallen – bijna 40 procent – konden de oorspronkelijke resultaten niet bevestigd worden. De overige 13 werden weliswaar bevestigd, maar de uitkomsten waren veel minder overtuigend dan die in de oorspronkelijk rapportages waren gemeld. Er zijn een flink aantal studies bij die voor de pedagogiek van direct van belang zijn. De studie waaruit bleek dat je van lezen empathisch zou worden bijvoorbeeld. Het gaat vaak om de weerlegging van aantrekkelijke volkswijsheden. Zo sneuvelde het afgelopen jaar ook het onderzoek waarin aangetoond zou zijn dat lachen gezond is. Het verontrustende is dat de replicaties vooralsnog onderzoeken met een eenvoudige opzet betreffen, waarvan de herhaling dus niet al te ingewikkeld is. Er is nog heel veel werk aan de winkel.

Ik heb altijd al gevonden dat het weerleggen van alleszins plausibele, maar mogelijk ook schadelijke, psychologische en sociologische verklaringen de belangrijkste taak van het kwantitatieve onderzoek in de sociale wetenschappen is. Daarom is het wat mij betreft zeer verheugend dat daar nu eindelijk serieus werk van wordt gemaakt. Maar voor de pedagogiek is het van een nog groter belang om na te gaan hoe er in de praktijk met de resultaten van nog niet gerepliceerd onderzoek wordt omgegaan. Het is heel mooi dat dat nu, in het geval van onderzoeken waarop de aanpak van de overheid van het alcoholgebruik onder jongeren is gebaseerd, nauwkeurig is na te gaan. Ik concentreer me op het onderdeel ‘Alcohol en de hersenontwikkeling bij jongeren’, want de onderbouwde veronderstelling dat alcohol desastreus zou zijn voor jonge hersenen in de groei heeft ook mij destijds volkomen overtuigd. Dat gold overigens ook voor het onderzoek waarin werd aangetoond dat het zo lang mogelijk uitstellen van het eerste alcoholgebruik het meest effectief is als het er om gaat grootverbruik en verslaving op latere leeftijd te voorkomen.

Uit de documenten die op 17 december door de Gezondheidsraad bij zijn advies aan de staatssecretaris werden gepubliceerd blijkt dat die onderbouwing veel minder solide is dan ik steeds had aangenomen. In de conclusie lezen we ronduit: ‘Over de specifieke gevolgen voor de hersenen bij jongeren is echter nog weinig bekend.’ Het beschikbare onderzoek bleek voor een deel van dusdanige kwaliteit dat er helemaal geen stevige conclusies uit te trekken waren. De vraag in hoeverre de mate van alcoholgebruik van invloed is op de mogelijke gevolgen en op de vraag of de gevolgen blijvend zijn, was volgens de commissie, die de gegevens voor de raad verzamelde, niet te beantwoorden. Ook is het verband tussen alcoholconsumptie en slechter cognitief functioneren en tussen alcoholconsumptie en schoolprestaties nog onvoldoende duidelijk. ´Waarom hoor ik dat nu pas?´ denk ik, als ik dat lees. Volgens de commissie verschaft onderzoek op het gebied van de hersenontwikkeling meer duidelijkheid. Zoveel duidelijkheid kan ík aan de volgende zin echter niet aflezen: ‘De commissie ziet duidelijke aanwijzingen dat bij jongeren die alcohol drinken het volume van de grijze stof een abnormale en versnelde afname laat zien.´ Ik zie die duidelijkheid vooral niet omdat de commissie daaraan meent te moeten toevoegen dat de betekenis daarvan voor het functioneren van de hersenen nog onvoldoende duidelijk is en nader onderzoek geboden is. Ik ben er alles bij elkaar genomen niet van onder de indruk. De commissie is wel overtuigd van het nadelige effect van vroeg beginnen met drinken, maar in dat geval weet ze weer niet of het om vroeg ‘zo nu en dan drinken’ gaat of om vroeg ‘echt dronken worden’. Het is van groot belang om vast te stellen dat het bij de aangetoonde zwakke verbanden tussen alcoholgebruik en hersenontwikkeling ook nog eens om correlationele verbanden gaat. De Leidse hersenonderzoeker Jiska Peper vertelde me voor de zomer nog dat onderzoek dat claimt causale relaties op dat gebied te hebben vastgesteld is uitgevoerd op muizen die bijkans in de alcohol verdronken werden. Maar dergelijke experimentele onderzoeksopzetten bij mensen zullen vanzelfsprekend door elke ethische commissie worden afgewezen. De algehele conclusie die de commissie uiteindelijk zegt te trekken ‘De commissie vindt het daarom voor jongeren een verstandige keuze om niet te drinken’ staat in geen enkele verhouding tot de ingrijpende maatregelen die inmiddels in het kader van alcoholbestrijding onder de jeugd genomen zijn.

Het gaat niet aan om over de gevolgen van excessief alcoholgebruik badinerend te doen. Dat alcohol meer kapot kan maken dan je lief is, daar is iedereen wel van overtuigd. Ook wijzen naar grote geesten als Goethe, Mozart en Churchill, om maar een enkeling te noemen die zijn ongekende prestaties nooit had kunnen leveren als hij de fles niet voortdurend in de aanslag had gehad, verwijzen we graag naar het gebied van de balorigheid. Hier geldt het credo van de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky: ‘Slechts de namen van de grote drinkers leven voort.’ Waar het wel om gaat is om vast te stellen dat het funderen van alcoholbeleid in wetenschappelijk onderzoek uiterst problematisch is. Volgens de commissie mag dan het verband tussen alcoholgebruik en cognitief functioneren nog niet duidelijk zijn, er zijn wetenschappers die beweren dat zij hebben aangetoond dat 0,75 promille alcohol in het bloed het creatieve probleemoplossen bevordert (Jarosz 2012). Maar ook moeten de aanwijzingen, dat jongeren die door de inmiddels op grond van al dat onderzoek verhoogde wettelijke minimumleeftijd later aan de alcohol beginnen, daarna juist meer gaan drinken dan eerdere generaties waarvan de ouders hun kinderen nog wel in verstandig alcoholgebruik probeerden in te leiden, nauwgezet nader worden onderzocht. Jongeren van boven de achttien laten zich mogelijk minder gemakkelijk inleiden. Los van de overweging dat de grote individuele verschillen in verslavingsgevoeligheid maatregelen die voor iedereen gelden minder acceptabel maken, lijkt er nog een lange weg te gaan voordat het nu ook in het kader van het Preventieakkoord aangekondigde alcoholbeleid op een bevredigende manier wetenschappelijk zal kunnen worden onderbouwd.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *