Artikel 23 in de nek getatoeëerd

Het politiek-bestuurlijke gestuntel als gevolg van de openbaarmaking van de AIVD-waarschuwing, dat richtinggevende personen op het Amsterdamse islamitische Cornelius Haga Lyceum in het verleden banden met Tjetjeense terroristen hebben gehad, maakte weer veel onbegrip zichtbaar van en voor de manier waarop in ons land de vrijheid van onderwijs is georganiseerd. Nergens werd gerefereerd aan de plannen van het vorige kabinet om Artikel 23 te verruimen. Wel overheerste de gedachte dat voor een effectieve inperking van de vrijheid, die er voor zou moeten zorgen dat zulke scholen niet eens kunnen worden opgericht, nog altijd geen draagvlak te vinden is.

De oplossing van de problemen ligt al jaren voor het grijpen. Er moet zo spoedig mogelijk een einde komen aan het recht om een school op religieuze basis op te richten. Nu volstaat een rooms-katholieke, protestants-christelijke, reformatorische, islamitische of antroposofische grondslag om bekostiging te verwerven. Staatsecretaris Dekker zag twee jaar geleden al aanleiding om bekostiging van het Haga Lyceum te verhinderen en heeft daar ook zijn best voor gedaan. Maar hij had geen schijn van kans, omdat er genoeg leerlingen waren en het bij een islamitische school om een van de erkende richtingen ging. En daarmee was – zo stelde ook de rechter vast –  aan de voorwaarden voldaan.

De voorgestane oplossing laat onverlet dat scholen zich in hun denken over onderwijs door een religieus gedachtegoed kunnen en mogen laten inspireren. Religieus gedachtegoed biedt meer dan eens een rijke bron van doorwrochte ideeën over onderwijs en samenleven. Maar als je een nieuwe school wilt beginnen zou je overtuigend moeten kunnen laten zien wat dat vaak eeuwenoude gedachtegoed betekent voor de steun aan de ingroei van de leerlingen in onze huidige complexe multiculturele samenleving. Duidelijk zal dan ook worden hoe dat gedachtegoed zich verhoudt tot de uitgangspunten van onze democratische rechtstaat. Ook daar mag en kan het natuurlijk niet mee in strijd zijn.

Ik ben zeer benieuwd naar de wetsvoorstellen van minister Slob om situaties zoals die nu op het Amsterdamse Cornelius Haga Lyceum zijn ontstaan te voorkomen. De verbetenheid waarmee zijn opvolger als Christen Unie fractievoorzitter Segers het huidige artikel 23 verdedigt, doet het ergste vrezen. Benieuwd ben ik ook naar hoe D66 zich als coalitiepartij zal opstellen. Het is de enige politieke partij die al langer uit was op radicale modernisering van de vrijheid van onderwijs, maar ook in die kringen is het wat dat betreft alweer langer verdacht stil. Het voorstel dat Dekker als staatssecretaris van een VVD/PvdA kabinet deed, hield geen enkele beperking in van het recht om een school op religieuze grondslag te stichten. De Kamer kwam in de zittingstermijn van dat kabinet Rutte II niet eens aan de behandeling toe.

Zijn er nog andere manieren om toestanden zoals aan het Cornelius Haga Lyceum zijn ontstaan te voorkomen? Goed burgerschapsonderwijs zou daaraan een goede bijdrage moeten kunnen leveren. Sinds 2006 is in het primair en secundair onderwijs burgerschapsvorming als verplicht onderdeel in het curriculum opgenomen. Onderzoek van de Inspectie heeft in de afgelopen jaren overtuigend laten zien dat, op een beperkt aantal scholen na, van de invoering van goede burgerschapsvorming bitter weinig terecht gekomen is. Er blijken scholen te zijn waar het onderwerp één keer per jaar aandacht krijgt. Daarmee is aan de wettelijke plicht is voldaan. Vooral vanuit reformatorische hoek zijn in de aanloop naar de invoering van het burgerschapsonderwijs bezwaren gerezen. Het werd als een aantasting van de vrijheid van onderwijs gezien.

Er ligt een wetsvoorstel klaar om ervoor te zorgen dat het burgerschapsonderwijs op onze scholen in de toekomst serieuzer zal worden aangepakt. Op 10 december vorig jaar kwam het voorstel aan de orde op een bijeenkomst georganiseerd door het Huis van de rechtstaat ‘ProDemos’ onder de titel ‘De staat van het burgerschapsonderwijs’. Christianne Mattijssen directeur voortgezet onderwijs bij het ministerie van OCW, lichtte het wetsvoorstel op een voortreffelijke manier toe. Dat burgerschapsonderwijs en Artikel 23 op gespannen voet staan, daarover liet zij geen enkel misverstand bestaan. ´Als je bij het ministerie van onderwijs komt werken,´ zo onthulde ze, ´krijg je Artikel 23 achter in je nek getatoeëerd.´ Daarmee zijn natuurlijk veel van de halfslachtige uitgangspunten van het huidige burgerschapsonderwijs verklaard. Toch was de toelichting van ambtenaar Mattijssen veelbelovend en aanmerkelijk inspirerender dan het college van onderwijskunde hoogleraar Geert ten Dam dat eraan vooraf ging. Ten Dam maakte nog eens duidelijk hoe de meest verpolitiekte van alle adviesraden, de Onderwijsraad, het er onder haar voorzitterschap bij heeft laten zitten.

 

Naschrift

Zojuist meldde Eenvandaag dat de Onderwijsinspectie een lovend rapport over het Cornelius Haga lyceum naar aanleiding van het signaal van de AIVD heeft aangehouden. Daarin staan uitspraken als: ‘Zowel de kwaliteitszorg als het onderwijsproces zijn op alle onderzochte onderdelen van voldoende kwaliteit. Alle betrokkenen verdienen daarvoor een compliment’ (…)  ‘Het bestuur kent voorts een professionele kwaliteitscultuur en functioneert transparant en integer.’ (…)  ‘In het schoolplan staat dat de school ernaar streeft bewuste en verantwoordelijke burgers af te leveren. Met behoud van identiteit en met een open blik naar de samenleving.’ (…)  ‘De concrete invulling hiervan vindt in eerste instantie plaats in de vaklessen (met name geschiedenis, biologie, seksualiteit en seksuele diversiteut) alsook in de islamlessen waarin ook aandacht besteed wordt aan andere religies dan het islamitisch geloof.’

Op dit moment is mij niet duidelijk of de Inspectie tot deze oordelen is gekomen op grond van documentanalyse, gesprekken of observaties van het onderwijs in de praktijk.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *