‘Nederlandse klas scoort wereldwijd slecht op discipline’, zo berichtte Trouw onlangs (11 maart 2025). Al snel werd het overgenomen door andere media. In Nederlandse klaslokalen is het vergeleken met andere landen erg rumoerig en chaotisch. Volgens de Vlaamse hoogleraar pedagogiek Orhan Agirdag, die er onderzoek naar deed, is er in Nederland zelfs sprake van een ‘structurele gedragscrisis’.
Nu zal gebrek aan discipline niet iedereen meteen negatief in de oren klinken. In historisch perspectief valt er zelfs best een positieve draai aan te geven. De historicus Simon Schama schreef in zijn studie over de Nederlandse Gouden Eeuw, Overvloed en onbehagen, dat buitenlandse bezoekers aan de Republiek niet zelden ‘verbaasd en onthutst [waren] over de zachte aanpak van kinderen’. Die aanpak uitte zich in een liefdevolle omgang tussen ouders en hun kroost, grote toegeeflijk en terughoudendheid in (fysieke) straffen. Destijds opmerkelijk, maar niet iets waar we nu bezwaar tegen maken.
Een warme omgang tussen ouders en kinderen wordt tegenwoordig algemeen als wenselijk gezien, terwijl het streven naar mondigheid en autonomie van kinderen voor pedagogen en andere opvoeders een belangrijk thema is. Het past bij een manier van omgaan tussen ouders en kinderen die valt onder wat de Amerikaanse ontwikkelingspsychologe Diana Baumrind (1927-2018) typeerde als een autoritatieve – ook wel democratische – opvoedingsstijl. Een opvoedingsstijl die betrokken, begripvol en accepterend, maar tegelijkertijd controlerend, veeleisend en gezaghebbend is tegenover het kind. Deze stijl is in het naoorlogse Nederland snel dominant geworden. Alles bij elkaar maakt het Nederlandse kinderen volgens onderzoek van kinderrechtenorganisatie Unicef tot de gelukkigste ter wereld.
Nu kun je het nooit iedereen naar de zin maken en van verschillende kanten is er dan ook de kritiek dat de toegeeflijkheid is doorgeschoten. Het zou verwende kinderen, onuitstaanbare prinsjes en prinsesjes hebben opgeleverd en het gezag van volwassenen – ouders, maar ook leerkrachten – hebben verzwakt. Mondigheid, is dat in de praktijk niet vaak een (te) grote mond?
In zijn pamflet Denkend aan Holland uit 2005 zette schrijver Thomas Rosenboom uiteen dat de onbeschoftheid van de Nederlander goeddeels te wijten is aan een chronische vrijmoedigheid in de opvoeding en de afwezigheid van gezag van ouders over hun kinderen. Ook het Nederlandse onderwijs bleef in zijn filippica niet buiten schot. Dat onderscheidde zich volgens Rosenboom door de enorme herrie die er van schoolplein tot klaslokaal wordt geproduceerd: de stemverheffing overheerst. Hij stelt dan ook een experiment voor: ‘een algeheel schreeuwverbod voor alle instellingen van onderwijs’. Het zou volgens hem ook het probleem van het lerarentekort oplossen, want wie wil er nu werken in een omgeving waar voortdurend wordt geschreeuwd en je gezag wordt ondermijnd?
Gebrek aan discipline en rumoerige klassen; als het de keerzijde is van kindergeluk zou er wellicht nog mee te leven zijn. Uit het onderzoek – gebaseerd op de Pisa-enquête, het grootschalig internationaal onderwijsonderzoek – komt echter naar voren dat het gebrek aan discipline negatieve effecten heeft op de schoolprestaties. Niet alleen gaat er veel tijd verloren aan ordehandhaving, ook scoren rumoerige klassen aanzienlijk lager op rekenen vergeleken met rustigere klassen. Volgens Agirdag kan het zelfs gaan om een leerkloof (achterstand dus) van meer dan een jaar.
Eerder had het Pisa-onderzoek al aangetoond dat het met de leesvaardigheid van de Nederlandse leerlingen niet goed gesteld is en hoewel het niet zomaar mogelijk is het ene (de gebrekkige discipline) als de oorzaak van het andere (de afnemende reken- en leesvaardigheid) aan te merken, is het verband alarmerend genoeg om serieus naar de invloed van het disciplinaire klimaat te gaan kijken.
Dat leerkrachten gebukt gaan onder de gebrekkige discipline laat zich gemakkelijk vaststellen; het speelt een rol in de ervaren werkdruk van leerkrachten en doet velen van hen na een paar jaar zwoegen omzien naar een andere baan.
Maar ook ruim 80 procent van de leerlingen rapporteert dat het in sommige klassen (te) lawaaiig en rumoerig is. Het verbod op de smartphone in de klas lijkt zich te vertalen in meer concentratie tijdens de lessen, maar uit het Pisa-onderzoek valt op te maken dat de smartphone niet de enige factor is die zorgt voor onrust in de klas. Er moet dus iets gebeuren.
Behaalde successen in het verleden bieden geen garantie voor de toekomst, maar soms kunnen we er wel iets van leren. Zo’n twee eeuwen geleden maakte onderwijsvernieuwer Hendrik Wester (1752-1821), geboren in het Groningse Garmerwolde, maar schoolmeester in Ten Boer en later in Oude Pekela, zich niet alleen sterk voor verbeteringen in het leesonderwijs, maar deed ook voorstellen voor het bewaren van ‘orde en rust’ in de klas.
Vóór 1800 was op veel scholen het zogenaamde hoofdelijk onderwijs de norm. Dat betekende in de praktijk dat een enkele leraar veel kinderen moest bedienen, met chaos als gevolg en de harde hand van de meester om nog iets aan orde te bewerkstelligen. Aan leren werd vaak niet toegekomen. Wester pleitte daarom voor klassikaal onderwijs, zodat de leerkracht meer kinderen tegelijk kon bedienen en dus ook bij de les kon houden. Zijn aanpak werd wel ‘stilschoolhouden’ genoemd en bleek een werkbaar medicijn tegen rumoer en chaos in de klas.
Westers aanpak raakte, zoals dat gaat, op den duur weer uit de mode. Klassikaal onderwijs werd steeds vaker gezien als ‘ouderwets’ en als ‘niet aansluitend bij de behoeften van kinderen’ en paste niet meer bij de opvattingen over goed onderwijs.
Nu is het niet raadzaam om naar het onderwijs van twee eeuwen geleden terug te verlangen. Uit de reacties op de ‘structurele gedragscrisis’ die Agirdag constateert, blijkt echter dat veel deskundigen van mening zijn dat er wel iets moet gebeuren om het gezag in het onderwijs terug te winnen. Discipline is in het onderwijs het ondergeschoven kind; scholen en politiek zouden meer moeten doen om voor rust in de klas te zorgen. Het komt tegemoet aan de behoefte van kinderen en leerkrachten.
Over een paar jaar dan eens kijken of dit zich vertaalt in de uitkomsten van het Pisa-onderzoek naar lees- en rekenprestaties.
En in minder rumoer en geschreeuw in de klas, natuurlijk.