Drie forse ingrepen om de jeugdzorg te redden: 1. meer geld

Het gaat bar slecht met de jeugdzorg. De jeugdzorgwerkers spannen zich dagelijks in om er het beste van te maken, maar er is gebrek aan alles – aan geld, aan deskundig en ervaren personeel, aan adequate opvang en aan centrale sturing. De Tweede Kamer verlangt oplossingen. Verantwoordelijk minister Hugo de Jonge heeft aangekondigd dat hij zich bezint op financiële maatregelen en op wat er breder nodig is om de jeugdzorg te verbeteren. In deze serie blogs wordt een aantal ingrepen voorgesteld om tenminste te redden wat er nog te redden valt.

Dat de jeugdzorg er sinds de overheveling van de verantwoordelijkheid naar de gemeenten in 2015 ellendig voor staat is inmiddels genoegzaam bekend. Dat kan ook moeilijk anders, na alle acties, een brandbrief, kritische evaluaties, noodkreten van gemeenten en instellingsbestuurders en vernietigende rapporten van lokale Rekenkamers en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Vorig jaar waarschuwde Marjanne Sint, voorzitter van de Transitie Autoriteit Jeugd, dat het als gevolg van de aanhoudende problemen met de financiering nog jaren kon duren voordat de hulpverlening op orde zou zijn. Twee maanden geleden constateerde Marina Kruithof, bestuurder van Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond: ‘We hebben een heel ingewikkeld stelsel gebouwd. Het duurt zeker tien tot vijftien jaar voor we het goed voor elkaar hebben.’ Terecht kopte Trouw vorige week ‘De zieke jeugdzorg heeft dringend een injectie nodig.’ Pijnlijk is vooral dat de gebreken, die sinds 2015 aan het licht zijn gekomen, vooraf allemaal waren voorspeld.

Politici komen zelden terug op eerder genomen besluiten, maar misschien kan het in dit geval geen kwaad om zo langzamerhand te erkennen dat er de afgelopen jaren te snel en teveel tegelijkertijd aan veranderingen op het gebied van de zorg in gang is gezet. Behalve de overgang van de hele jeugdzorg naar de gemeenten op 1 januari 2015 werden de gemeenten op dezelfde datum immers ook verantwoordelijk voor de voorzieningen op het terrein van de AWBZ,de WMO en de Participatiewet, terwijl ze ook net verantwoordelijk waren geworden voor de uitvoering van de Wet Passend Onderwijs en van de herziene Kinderbeschermingsmaatregelen.

Bovendien werd de transitie van de jeugdzorg in gang gezet zonder voldoende voorbereidingstijd en zonder bijvoorbeeld een grondige verkenning van ervaringen elders en bezinning daarop. Ideologie en bezuinigingsstreven vonden elkaar rond noties als ‘de zorg dichter bij de burger brengen’, ‘ontzorging’ en ‘demedicalisering’. Het idee samen op te trekken naar iets moois voor minder geld maakte, ondanks dringende waarschuwingen vanuit het veld, blind voor evidente risico’s en negatieve onbedoelde gevolgen. En nog steeds neigt een groot deel van de politiek naar deze modus, waardoor het mogelijk lijkt de opstapeling van problemen zo niet te ontkennen dan tenminste te relativeren.

Hoewel onder anderen de bestuurders van de grote gemeenten nog steeds zweren bij ‘gemeentelijke autonomie’, is de afgelopen jaren duidelijk geworden dat we hier in feite te maken hebben met de fictie van nabijheid, onze eigen, kleine binnenlandse mini-Brexit. Door de transitie in de context van marktwerking en geldgebrek is de jeugdzorg, ondanks geweldige inspanningen op veel plaatsen niet dichterbij maar juist verder van de burger af komen te staan. Intussen zijn de gemeenten door de transitiedoctrine zonder zich dat veelal te realiseren in een spagaat terecht gekomen. Enerzijds wordt immers van ze verwacht dat ze hun goedkope, semiprofessionele wijkteams aanmoedigen om preventief zoveel mogelijk aan te pakken, en dus heel veel energie in relatief lichte en zelfs onbeduidende zaken te steken. Anderzijds ziet elke gemeente zich genoodzaakt om de kosten te drukken en de inzet van dure, gespecialiseerde jeugdzorg waar mogelijk te voorkomen en die voor zo laag mogelijke prijs in te kopen. Zo komen ze dus in veel gevallen duur uit waar het niet hoeft en zuinig waar het het hardst nodig is.

Indertijd werd Denemarken vaak als voorbeeld genoemd. Daar was men in 2007 op vergelijkbare gronden overgestapt op decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten. Maar er werd niets van geleerd. In Denemarken ging het namelijk op cruciale punten anders. Ten eerste was er veel meer voorbereidingstijd. Ten tweede werd in de voorbereiding het aantal gemeenten gereduceerd van 271 naar 98, terwijl het aantal gemeenten in Nederland nauwelijks is afgenomen en nog altijd zo’n 380 bedraagt, waaronder uiteraard vele kleine gemeenten. Ten derde zag men zich er vanwege teveel inkopen van lichte zorg ten koste van specialistische zorg al gauw gedwongen extra geld voor de transitie beschikbaar te stellen.

Als we nog iets willen redden van de jeugdzorg zal die laatste stap ook hier zo snel mogelijk moeten worden gezet. Van alle kanten is hierop gewezen.  Bij de presentatie van de eerste evaluatie van de Jeugdwet, een jaar geleden, werd het ontoereikend gemeentebudget ook uitdrukkelijk als grootste knelpunt genoemd. Illustratief voor de noodsituatie, en ook voor het feit dat de regering zich hier allang van bewust was, was het Wetsvoorstel tot wijziging van het Woonplaatsbeginsel dat anderhalf jaar geleden werd gepubliceerd. Daarmee moest worden verhinderd dat gemeenten zich onttrokken aan de financiële verantwoordelijkheden die hen met de Jeugdwet waren gegeven.

Bijna tweederde van de honderd instellingen voor specialistische jeugdhulp zag zich de afgelopen jaren gedwongen extra geld aan de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) te vragen om overeind te kunnen blijven. Van de gemeenten komt inmiddels driekwart geld tekort voor jeugdzorg; bij eenvijfde bedraagt het tekort zelfs meer dan 40%. In totaal gaat het jaarlijks om vele honderden miljoenen. Dit geldgebrek is deels een gevolg van de verkeerde taxatie van een afname van de vraag, zoals de gedachte dat allochtone jongeren relatief minder beroep zouden blijven doen op jeugdhulp. Waarschijnlijk speelt het enthousiasme waarmee de wijkteams het veld zijn ingestuurd om vooral ‘preventief’ werk te doen echter minstens zo’n sterke rol. Juist op dit punt vonden ideologie en bezuinigingsstreven elkaar, zoals het onlangs nog met verve maar nietszeggend in Nieuwsuur werd verwoord door Judith Bokhove, de Rotterdamse wethouder voor Jeugdzaken van Groen Links. Onderzoek laat daarentegen keer op keer zien dat het effect van vroege interventies – bijvoorbeeld naar aanleiding van een of twee typische jeugddelicten, vechten of pesten – nihil is en dat de grootste winst te behalen valt bij de serieuze gevallen.

Maar primair is het geldgebrek een gevolg van de desastreuze beslissing om de transitie gepaard te laten gaan met een megabezuiniging van 450 miljoen per jaar. Let wel, deze financiële problemen werden al voor de inzet van de Transitie voorzien door diverse lokale Rekenkamers, waardoor het enthousiasme bij veel gemeenten die het transitieplan aanvankelijk toejuichten eind 2014 al aanmerkelijk was bekoeld. Uit een studie van het Centrum voor onderzoek van de economie van de lagere overheden van de Rijksuniversiteit Groningen bleek al ruim voor de transitie dat de eerste jaren op dit terrein miljardentekorten zouden ontstaan, aangezien zo’n ingrijpende verandering in eerste instantie juist geld zou kosten in plaats van opleveren. Van diverse kanten werd er toen al op gewezen dat voor zover er al verbeteringen mogelijk zouden zijn, dat pas na vele jaren het geval zou zijn en dat er daarvoor in elk geval geld bij zou moeten. Geharnaste voorstanders van een snelle invoering van de transitie die volgens hen ook nog meteen flink geld zou opleveren – zoals de huidige Secretaris Generaal van VWS, Erik Gerritsen, indertijd directeur van Bureau Jeugdzorg Amsterdam – hebben deze informatie steevast genegeerd, met alle schadelijke gevolgen van dien.

 

2 gedachten over “Drie forse ingrepen om de jeugdzorg te redden: 1. meer geld

  1. Moeten we de jeugdzorg (willen) redden? Of willen we de jeugd redden en de bevlogen jeugdzorgwerkers die iets kunnen en willen betekenen voor jeugdigen die hulp, zorg en/of steun nodig hebben?

  2. Vandaag is in het A.D. een brief van de VNG geplaatst, waarin min of meer hetzelfde wordt gesteld, al ligt de nadruk vooral op ‘meer geld, anders …’
    ( https://www.ad.nl/politiek/gemeenten-dreigen-jeugdzorg-en-psychische-hulp-af-te-stoten~ad54ed98/ )

    Ik ben het met de hier genoemde drie ingrepen eens, maar denk dat een vierde ingreep nodig is.
    De auteur heeft heeft het over “[Er wordt van de gemeenten] verwacht dat ze hun goedkope, semiprofessionele wijkteams aanmoedigen om preventief zoveel mogelijk aan te pakken, en dus heel veel energie in relatief lichte en zelfs onbeduidende zaken te steken.” Verwachtingen, door de gemeenten zelf tientallen jaren lang, lobbyend voor decentralisatie van de jeugdhulpverlening, gewekt.
    ‘Licht en onbeduidend’, onaardig maar wel terecht gezegd.

    Ik lees in het AD “afgelopen weken bleek uit verschillende onderzoeken dat gemiddeld één op de tien jongeren momenteel jeugdzorg ontvangt. Sinds de gemeenten in 2015 die handschoen oppakten, is hun aantal met ruim 12 procent gestegen tot 428.000”
    Tien procent van de jeugd is of heeft zodanig problemen dat jeugdzorg nodig is? Dat is niet normaal! Dat is ook niet het geval. De gemeenten zijn in hun nadruk op lichte zorg en vooral op preventie doorgeschoten.

    Mijn vierde ingreep zou zijn:
    VERKLEINING VAN DE DOELGROEP VAN DE JEUGDZORG.
    Definiëren wat jeugdzorg wel is en voor welke problemen (die ik niet zal ontkennen) ze niet bedoeld is. Definiëren wat preventie wel is ( wat wil men precies voorkomen) en welke zogeheten preventie geen jeugdzorg-karakter heeft.

Laat een reactie achter op Mariëtte Hoogsteder Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *