Jeugdbescherming: belangrijke beslissing Europees Hof

Delen:

Gastblog Joost Huijer

Op 15 april vorig jaar heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Van Slooten tegen Nederland geoordeeld dat art. 8 EVRM – het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven – was geschonden. In deze zaak ging het om een moeder met een pasgeboren dochter waarbij sprake was van een zeer problematische opvoedsituatie ten tijde van de eerste beslissing tot ondertoezichtstelling. Mede omdat de moeder haar medewerking bleef weigeren, volgden al snel verdergaande maatregelen. Vier maanden na de start van de ondertoezichtstelling nam de GI een perspectiefbesluit, binnen anderhalf jaar werd door de rechter besloten tot gezagsbeëindiging. 

Dat het EHRM een beslissing heeft genomen in een Nederlandse jeugdbeschermingszaak was tot Van Slooten vrij bijzonder. Ruim 20 jaar geleden gebeurde dat voor het laatst in de zaak Venema tegen Nederland, waarin de ouders van een pasgeboren kind onvoldoende waren betrokken in de besluitvorming over ingrijpende spoedmaatregelen. 

Twee zaken in 25 jaar waarin een schending van art. 8 EVRM is aangenomen is niet veel, maar dat betekent niet dat de Nederlandse jeugdbeschermingspraktijk het afgelopen decennium en nu grotendeels verdragsconform is (geweest). Voordat een zaak bij het EHRM kan worden aangebracht moeten namelijk eerst alle nationale procedures zijn doorlopen. Eenmaal in Straatsburg gelden ook nog allerlei ontvankelijkheidseisen en kunnen de termijnen lang zijn. Voor veel betrokkenen is deze weg te lang en te onzeker en bovendien is de vraag wat de klager ermee opschiet. In de zaak Van Slooten kwam de uitspraak van het Europees Hof 10 jaar na de beslissing van de Nederlandse rechter. Deze uitspraak brengt het kind dus niet vanzelfsprekend terug bij de moeder.

Maar er kan wel belangrijke werking uitgaan van deze uitspraak. Het is niet onwaarschijnlijk dat ouders (en in sommige gevallen ook kinderen) die menen dat hun recht op familie- en gezinsleven is geschonden, onder verwijzing naar deze uitspraak vaker een beroep doen op art. 8 EVRM. De rechter is gehouden te toetsen aan het recht op familie- en gezinsleven, maar in de praktijk is daar nog veel winst te behalen. In nog te veel gepubliceerde uitspraken over uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging is de toetsing aan art. 8 EVRM afwezig of oppervlakkig en selectief. Ook om die reden is het goed dat er nu een heel duidelijke uitspraak van het EHRM in een Nederlandse zaak ligt. Ik stip drie punten aan waaruit blijkt dat het EHRM de lat voor jeugdbeschermingsautoriteiten behoorlijk hoog legt.

Ten eerste is het belangrijk om te benoemen dat het EHRM vasthoudt aan de eerder uitgezette lijn (Strand Lobben tegen Noorwegen en eerdere zaken): na uithuisplaatsing moet intensief worden gewerkt aan hereniging van kind en ouders. 

Ten tweede moet deze zaak worden geplaatst in de context van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen van 1 januari 2015. Met name de notie van de toen ingevoerde ‘aanvaardbare termijn’ zorgde ervoor, dat in die periode vaak heel snel en soms te rigide werd gestuurd op gezagsbeëindiging. Nu in 2026 zullen extreem korte termijnen zoals in de Van Slooten zaak niet meer zo snel voorkomen en is men in algemene zin ook terughoudender geworden met gezagsbeëindiging. Dit betekent echter niet dat we zonder meer kunnen aannemen dat de huidige uitvoeringspraktijk veelal in lijn is met art. 8 EVRM. De belangrijkste les van Van Slooten is misschien wel dat iedere zaak vraagt om zorgvuldig onderzoek en voldoende investeringen om de hereniging van kind en ouder te bewerkstelligen. Door de aanhoudende en zeer ernstige uitvoeringsproblemen in de jeugdbescherming krijgen ouders en kinderen nu lang niet altijd (tijdig) de hulp die nodig is en waar zij recht hebben. 

Het Europees Hof is op dit punt strikt. Als na uithuisplaatsing niet al het mogelijke is gedaan om thuisplaatsing te realiseren dan voldoet de maatregel niet aan de vereisten van art. 8 EVRM. Dit is ook goed zichtbaar in de Van Slooten zaak waarin de toch vrij forse inspanningen van de GI om moeder en dochter bij elkaar te brengen, door het EHRM als onvoldoende wordt beoordeeld. Voor de professional in Nederland die moet beslissen over een jeugdbeschermingsmaatregel betekent dit, dat de vraag of binnen de maatregel de noodzakelijke hulp geboden kan worden, een rol moet spelen bij afweging over de wenselijkheid van die maatregel, hoe moeilijk dat ook is. En het betekent ook dat bij uitvoeringsproblemen, zoals het plaatsen van de minderjarigen op een instroomlijst nadat de maatregel is uitgesproken, ernstig getwijfeld moet worden of een dergelijke dwangmaatregel wel te rechtvaardigen is.

Een laatste belangrijke les uit Van Slooten voor de uitvoeringspraktijk betreft de houding van ouder(s) in jeugdbeschermingszaken. De weigerachtige houding van moeder lijkt een belangrijke rol te hebben gespeeld in de beslissing om voortvarend op gezagsbeëindiging te koersen. Het EHRM maakt daar in Van Slooten, net als in eerdere zaken, korte metten mee. Volgens het Europees Hof is het begrijpelijk dat ouders de strijd aangaan met de autoriteiten op het moment dat het gaat om ingrijpende beslissingen waarbij de familiebanden kunnen worden verbroken. De autoriteiten moeten hier rekening mee houden en mogen een weigerachtige houding in beginsel niet bepalend laten zijn in de besluitvorming. 

Mijn inschatting is dat in heel veel zaken over uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging de houding van ouders een belangrijke rol speelt in de besluitvorming. En dat valt ook goed te begrijpen, want het wel of niet verlenen van medewerking door de ouders en/of het kind is onmiskenbaar van invloed op de uitvoering van de maatregel. Hoe dan ook, als de visie van het EHRM op dit punt draagvlak krijgt onder Nederlandse rechters, dan zal de GI voortaan van heel goede huize moeten komen om aan te tonen dat alles is geprobeerd om een vorm van samenwerking met ouders tot stand te brengen.

 Deze blog is een bewerking van mijn editorial in het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, 2026 – aflevering 2.

,

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *