Op 5 maart verscheen op deze site een gastblog van Joost Huijer naar aanleiding van een belangrijke uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit hof oordeelde in de zaak Van Slooten tegen Nederland dat artikel 8 EVRM – betreffende het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven – was geschonden. Je zou wensen dat alle kinder- en familierechters en alle kinderbeschermers in Nederland kennis nemen van deze uitspraak. Of beter nog: de betekenis beseffen van artikel 8. Ik vrees namelijk dat die kennis onder een groot deel van de betrokken professionals nog amper aanwezig is. Zoals Huijer constateerde, is de toetsing aan dit artikel in zeer veel uitspraken over uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging nog steeds afwezig of oppervlakkig en selectief.
Deze vrees werd onlangs bevestigd door een alarmerend artikel in De Groene Amsterdammer van 11 maart. Vijf jonge journalisten deden onder begeleiding van onderzoeksplatform Investico een half jaar lang onderzoek naar dakloosheid. Ze trokken het land door, liepen mee op straat, bezochten tentenkampen, campings, vakantieparken, hotels en braakliggende terreinen vlakbij de stad. Zij constateren dat Nederland aarzelend tot het inzicht komt dat het een fors daklozenprobleem heeft. Terwijl het Centraal Bureau voor de Statistiek onlangs berichtte dat het aantal daklozen was gegroeid naar ruim 30.000, blijkt dit een zware onderschatting. Het aantal daklozen in ons land ligt 2 tot 3 keer zo hoog. Meer dan één procent van de bevolking in Amsterdam en Den Haag is dakloos. En daar horen ook zwangere vrouwen en kinderen bij. Elk jaar komen er meer mensen bij en het overheidsbeleid loopt hopeloos achter. De daklozenopvang zit overvol. Gemeenten weren mensen die een plek zoeken steeds hardvochtiger met criteria als ‘zelfredzaamheid’ en ‘verwijtbare dakloosheid’. Vorig jaar stapten 122 mensen met een advocaat naar de rechter om de opvang in te komen. Rechterlijke uitspraken laten zien dat zelfs de meest kwetsbare daklozen, waaronder chronisch zieken, zwangere vrouwen en kinderen, willekeurig worden geweigerd.
Een van de schrikbarende verhalen betreft een jonge vrouw, die in paniek vanwege een poging tot wurging door haar ex haar huis met haar twee kleine kinderen van twee en vijf jaar is ontvlucht. Als ze contact opneemt met de vrouwenopvang, de plek waar vrouwen heen kunnen als ze moeten vluchten voor huiselijk geweld, krijgt ze te horen dat haar situatie ‘niet erg genoeg’ is en dat ze zich nog ‘zelf kan redden’. Via via belandt ze midden in de winter in een verwaarloosd huisje op een boerenerf, waaruit de ramen zijn gesloopt, zonder verwarming, zonder elektriciteit en zonder water. De gemeente weigert hulp, maar er komen wel voortdurend medewerkers van Veilig Thuis langs, nadat haar ex bij die organisatie een melding heeft gedaan, aangezien er volgens hem sprake was van een ‘ongeschikte woonsituatie’ voor de kinderen.
Deze vrouw is lang niet de enige dakloze moeder met kinderen die wordt weggestuurd bij de opvang. Eerder onthulde Investico al dat dit in tenminste negen gemeenten het geval was. Zij verblijft een jaar op het boerenerf zonder voorzieningen. Ze doucht met haar kinderen bij familie of in de sportschool van vrienden. De kou en de schimmel in het huisje zorgen voor gezondheidsklachten bij haar en de kinderen. Regelmatig rijdt haar ex langs het erf en op een avond stormt hij naar binnen. Hij wil de paspoorten van de kinderen hebben. Hij duwt haar hardhandig, zodat ze op de tafel valt. Na deze mishandeling doet ze opnieuw een aanvraag bij de vrouwenopvang. Die wordt aanvankelijk opnieuw geweigerd, maar tenslotte mag ze naar de opvang.
Na drie jaar en elf rechtszaken tegen haar ex krijgt ze eindelijk het eenhoofdig gezag, maar ze blijft onder toezicht staan. De kinderen leven volgens de jeugdbescherming namelijk nog altijd ‘in onrust’. Tijdens de rechtszaken gaat het ook over haar woonsituatie. De Raad voor de Kinderbescherming vraagt zich hardop af waarom ze naar de vrouwenopvang is verhuisd zonder overleg met de vader (sic). De rechter en de hulpverlening vinden haar woonsituatie ongeschikt: de vrouwenopvang telt niet als ‘eigen plek’ en dat zou een risico zijn voor de kinderen…
Vooral deze laatste kanttekeningen doen net als de bezoeken door de medewerkers van Veilig Thuis vermoeden, dat geen van de betrokken professionals werkelijk doordrongen is van de betekenis van het eerder genoemde artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. 20 jaar geleden heeft hetzelfde Europees Hof immers op grond van dat artikel een zeer duidelijke, richtinggevende uitspraak gedaan in een vergelijkbare kwestie, de zaak Wallova & Walla tegen Tsjechië.
Het Hof oordeelde dat de Tsjechische autoriteiten het onderliggende probleem – dat de ouders geen geschikte huisvesting konden vinden – hadden ontkend en dat er geen twijfel was aan het vermogen van de ouders om hun kinderen op te voeden. Kortom, een weinig ideale woonsituatie geeft de autoriteiten alle reden voor hulpverlening, maar zeker niet tot verdere bemoeienis met de opvoeding.
Wil je niks missen van Pedagogiek in Praktijk? Schrijf je hier in voor de nieuwsbrief & word, net zoals duizenden anderen, lid van de PIP-groep op LinkedIn.






