DE (GEMANKEERDE) ONTWIKKELING VAN DE KINDERTEKENING (2)

Delen:

‘[…] de afschuwelijke producten die in gewone scholen als “vrije” en voor kinderen zo “karakteristieke” tekeningen worden tentoongesteld, zal men in onze scholen niet aantreffen. Dit, door moderne psychologen als “getuigenissen van de kinderlijke geest” zo zorgvuldig verzamelde, bestudeerde en gecatalogiseerde barbaarse geklieder, is niets anders dan de monsterlijke expressie van geestelijke bandeloosheid. […] Met hun wanstaltige deformaties laten zij eenvoudig zien hoe de onopgevoede mens is’.

Bovenstaande citaat heb ik meermalen gebruikt als opmaat voor lezingen over kindertekeningen, waarna ik aan mijn publiek vraag of ze enig idee hebben van wie het zou kunnen zijn. Het is geen enkele keer geraden. Als ik vervolgens vertel dat het van Maria Montessori is, reageert de zaal steevast verbaasd. Montessori? 

Zelf was ik bij eerste lezing trouwens net zo verbaasd. Maria Montessori (1870-1952) heeft de reputatie het typisch kinderlijke hoog te waarderen. In het Montessori-onderwijs wordt ruimte gegeven aan de kinderlijke expressie en artisticiteit, meende ik te weten en kindertekeningen zijn daar bij uitstek het product van. Nee dus, althans niet zo naïef als ik dacht. 

Met het ‘barbaarse geklieder’ en de ‘monsterlijke expressie van geestelijke bandeloosheid’ maakt Montessori het overigens wel erg bont en doet ze de ‘moderne psychologen’ tekort. Het citaat illustreert wel hoe kindertekeningen een bron van misverstanden zijn. Concreet, juist de kritiekloze waardering van de expressieve en in het verlengde daarvan artistieke betekenis van kindertekeningen heeft de ontwikkeling van het kindertekenen meer kwaad dan goed gedaan.

Het citaat stamt uit 1916, een tijd waarin de ontwikkelingspsychologische en kunstzinnige belangstelling voor kindertekeningen elkaar kruizen. 

Om met ontwikkelingspsychologen te beginnen. Jean Piaget, Heinz Werner, Wilhelm Stern en vele andere probeerden de eerste decennia van de twintigste eeuw de kinderlijke geest in kaart brengen en deden dat door goed te kijken naar wat jonge kinderen begrepen van de wereld, maar ook hoe zij daarin opereerden. Vooral Piaget heeft het denken van kinderen systematisch in kaart gebracht, al moest hij dat via een omweg doen.

Jonge kinderen zijn nu eenmaal beperkt in staat te reflecteren op hun gedrag, maar gelukkig verraadt dat gedrag het nodige van hun denken en voelen. Het was ontwikkelingspsychologen daarbij niet ontgaan dat allerlei vormen van spel en expressie een belangrijke rol innamen in hun spontane gedrag. De tekenactiviteit van kinderen is daarvan niet alleen een belangrijk onderdeel, maar laat zich – vastgelegd op (teken)papier – ook goed bestuderen en vergelijken.

Vanaf ongeveer twee jaar beginnen kinderen met het tekenen van (ogenschijnlijk) betekenisloze scribbles (krabbels). De ontwikkelingspycholoog Rhoda Kellogg (1898-1987) heeft er in Analyzing Children’s Art (1969) twintig onderscheiden: horizontale, verticale en diagonale streepje, cirkels, krasjes, enzovoort. Krabbels vormen het basismateriaal – een soort tekentaal – voor complexere figuren, waarin steeds meer herkenbare elementen zichtbaar worden. Het leren zien en gebruiken van die elementen is trouwens iets dat kinderen zelf ook moeten ontdekken. Zo tekenen kinderen soms eerst iets om pas daarna vast te stellen wat het is, of ze produceren krabbels die visueel lijken op het talige schrift, waarna ze hun ouders vragen wat ze ‘geschreven’ hebben.

Een van de dingen die in kindertekeningen opvallen (en dat lijkt het gemeen te hebben met taal), is dat ze op een speciale – symbolische – manier naar de werkelijkheid verwijzen. Mens, dier, boom, huis, maan en zon: ze worden schematisch uitgebeeld. De kijker zal vaak niet twijfelen aan de aard van het symbool (een cirkel met een paar stippen erin en pootjes eraan – de zogenoemde kopvoeter – is voldoende om een mensfiguur te suggereren), maar het realistische gehalte van de afbeelding is niet erg hoog. Sterker nog, we mogen hopen dat wat het kind tekent niet overeenkomt met wat het ziet, want dan zou het een gemankeerd beeld van de werkelijkheid hebben, dat maar weinig overeenkomt met dat van volwassenen.

Dat valt gelukkig alles mee. De Franse filosoof Georges-Henri Luquet (1876-1965) verklaarde de discrepantie tussen een kindertekening en de werkelijkheid met de stelling dat kinderen niet tekenen wat zij zien, maar wat ze weten van de werkelijkheid. Piaget was dezelfde mening toegedaan en geeft daar een mooi voorbeeld van wanneer hij in een onderzoek een driejarig kind vraagt een driehoek na te tekenen. Kinderen van die leeftijd zijn perfect in staat een driehoek van een vierkant of cirkel te onderscheiden, maar bij het tekenen gaat het fout. Het meisje begint een vierkant te tekenen, maar heeft door dat er iets niet klopt, waarna ze er enkele uitstulpsels aan toevoegt die kennelijk het probleem van de hoeken moeten oplossen. Een driehoek, volgens het meisje, maar onherkenbaar voor de kijker.

Jonge kinderen leren echter snel en hun tekeningen zijn daar het zichtbare bewijs van. Zoals een kind van zes vergeleken met een tweejarige, in motorisch, cognitief en emotioneel opzicht een enorme sprong heeft gemaakt, zien we dat ook in zijn tekeningen terug. Vlakverdeling, kleurgebruik, detaillering, lijnvoering, onderwerpkeuze of strategie in de opzet van de tekening: het wordt steeds complexer en gevarieerder. 

Rond een jaar of zes à zeven bereikt die ontwikkeling een hoogtepunt. Het is de leeftijd waarop zelfbedachte figuren en wezens een grote rol kunnen spelen en de werkelijkheid doelbewust wordt overruled door de kinderlijke fantasie. Het is deze leeftijd die door Howard Gardner, in Artful scribbles (1982), de Golden Age of Drawing is genoemd. Het zijn ook vooral deze kindertekeningen die om hun esthetische en artistieke betekenis worden gewaardeerd en waarvan kunstverzamelaars en musea collecties hebben aangelegd. 

Kindertekeningen werden zo meer en meer ingelijfd in het domein van de kunst en dat staat haaks op Montessori’s lamentaties over de ‘wanstaltige deformaties’ van de ‘onopgevoede mens’. Toch had ze een punt. Er is niets op tegen kindertekeningen mooi te vinden. Ze hebben beslist hun charme en het is begrijpelijk dat ontwikkelingspsychologen en kunstenaars er onze aandacht op hebben gevestigd. Tegelijkertijd heeft de associatie van kindertekeningen met kunst en artisticiteit de ontwikkeling van het kindertekenen en het tekenonderwijs eerder in de weg gestaan dan geholpen. Hoe dat precies zit, daarover de volgende keer meer.

Lees hier deel 1. 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *