DE (GEMANKEERDE) ONTWIKKELING VAN DE KINDERTEKENING (3)

Delen:

Het is een van de bekendere schilderijen van Jan Verhas (1834-1896): Vlaamse schilder van marines, landschappen, strandtaferelen en portretten, zoals bovenstaande van een vijftal kinderen uit de gegoede stand. Het werk is getiteld De Meesterschilder (1877). De kijker begrijpt meteen dat het slaat op de jongste van het stel, geconcentreerd in de weer met verf, penseel en papier, terwijl de oudere kinderen belangstellend toekijken. Je hoort ze de ‘jonge kunstenaar’ al prijzen – goed zo, heel knap – met een mengeling van vertedering en superioriteit, waarmee ze – onbedoeld – demonstreren dat zij op hun leeftijd de pedagogische blik al aardig beheersen.

De titel is natuurlijk ironisch, want al kennen we het eindresultaat van zijn inspanningen niet, wat het kind vermag, kan niet verder afstaan van het werk van Verhas, de echte meester. 

Verhas werkte nog in de traditie van het realisme, toen schilders als Claude Monet al een veel lossere penseelstreek hanteerden. Hij was daarmee destijds al een beetje ouderwets, maar zijn belangstelling voor het kind en het kinderlijk was dat niet. Dat was in Europa en de Verenigde Staten, tweede helft negentiende eeuw, overal in de mode, ook als onderwerp van de schilderkunst.

Dat zou met de opkomst van het modernisme nog verder doorgevoerd worden, door niet alleen het kind als onderwerp voor de schilderkunst te nemen, maar ook zijn kinderlijke producten – tekeningen – serieus te nemen.

Met het impressionisme en expressionisme als aanloop, lijkt het modernisme in de schilderkunst zo rond 1910 de dominante stroming te worden. Bij alle verschillen die er tussen kunstenaars als Kandinsky, Picasso, Duchamp en Klee, maar later ook de schilders uit de Cobra-groep, bestaan: ze vinden elkaar in hun belangstelling voor het teken- en schilderwerk van jonge kinderen. Niet omdat zij daar, zoals ontwikkelingspsychologen, voorbeelden van hun nog niet volledig ontwikkelde mentale en emotionele staat in zien, maar veeleer als voorbeelden an sich

Verschillende kunstenaars legden een verzameling van kindertekeningen aan en zagen in die tekeningen iets van de essentie van hun eigen kunst, of beter wellicht de kunst in het algemeen, weerspiegeld. Hetzelfde herkenden ze trouwens in wat toen nog zonder probleem ‘primitieve kunst’ uit niet-Westerse culturen mocht worden genoemd. 

Dit hadden ze gemeen met hun contemporaine ontwikkelingspsychologen, die onder invloed van het evolutionaire denken (geïnspireerd op Charles Darwin, maar ook op Jean-Baptiste de Lamarck, die veronderstelde dat verworven (culturele) eigenschappen eveneens overgedragen kunnen worden) probeerden ontwikkeling te begrijpen vanuit een comparatief – vergelijkend – standpunt.

Kinderen en ‘primitieven’ boden ons zicht, zo was het idee, op onze oorspronkelijke toestand. Voor ontwikkelingspsychologen was dat een toestand die door ontwikkeling moest worden overwonnen; voor moderne kunstenaars daarentegen was het een nastrevenswaardige toestand.

Sommige kunstenaars spiegelden zich aan in het oog springende kenmerken van de kindertekening: hun gebruik van primaire kleuren en elementaire vormen (zoals de scribbles van Kellogg), hun loslaten van realisme en perspectief of juist het hanteren van meerdere perspectieven (zo zien kinderen er geen probleem in bij een tekening van een plein de huizen aan de onderzijde daarvan op de kop te zetten). 

Andere kunstenaars gaan een stap verder en proberen de kindertekening in figuratieve en symbolische zin te benaderen, zoals bijvoorbeeld de eenvoudige figuren van Paul Klee, die op het eerste gezicht erg op kindertekeningen lijken.

Kunstenaars koketteerden graag met het kinderlijke, zoals in de quote van Picasso, waarin hij zegt dat het ‘jaren vergde om te schilderen als Raphael, maar een leven lang om te schilderen als een kind’ of zijn stelling dat ‘ieder kind een kunstenaar [is]. De moeilijkheid is er een te blijven’.

De ironie is dat uitgerekend Picasso als kind al begaafd kon tekenen en in die zin zelf nooit het kind is geweest dat hij nastreefde. Maar zijn uitspraken waren veeleer programmatisch en provocerend bedoeld dan feitelijk, zoals later Karel Appel de neerbuigende reactie op zijn werk (‘Dat kan een kind ook’) eerder omarmde dan als een belediging zag. 

Ondertussen werden kindertekeningen steeds meer op een voetstuk geplaatst, als (vorm van) kunst. Maar als kinderen al esthetisch begaafd zijn, wat is dan nog de betekenis van leren en ontwikkeling? Realisme werd niet meer gezien als doel van de tekenontwikkeling en daarmee verdween ook de noodzaak kinderen op de traditionele manier het tekenen bij te brengen. Helaas stagneerde daardoor ook de tekenontwikkeling: een kind van zes tekent beter dan een kind van twee, maar een kind van tien zelden beter dan een kind van zes. Dat vinden kinderen van tien trouwens zelf ook. Vaak voldoen hun tekeningen niet aan hun eigen eisen, terwijl ze hun oudere tekeningen kinderachtig – niks erger dan dat – beginnen te vinden. 

Ontwikkelingspsychologen op hun beurt verloren in de loop van de twintigste eeuw eveneens hun belangstelling voor kindertekeningen, ten gunste van serieuzere zaken, zoals de cognitieve ontwikkeling, taal en alles wat er in het onderwijs toedoet. Daar hoort tekenen zelden bij, want hoe we kinderen kunnen leren tekenen, speelt op veel scholen geen rol van betekenis. Om het onszelf niet te moeilijk te maken, zijn we op voorhand bereid alles wat kinderen produceren aan beeldmateriaal, tegen de achtergrond van moderne kunst, vrij te laten en mooi te vinden. Realistisch tekenen hoort daar vaak niet bij.

Niettemin, ook als we constateren dat producten van kindertekeningen en moderne kunst veel visuele overeenkomsten hebben, dan komen kinderen en kunstenaars langs volstrekt verschillende wegen tot die producten: voor kinderen is het een fase in wat een doorgaande ontwikkeling zou moeten zijn, voor kunstenaars een bewuste keuze voor een specifieke esthetiek. Wie zich dat niet realiseert kan gemakkelijk eigenaardige voorstellen doen, zoals in de reclame voor een workshop tekenen voor kinderen, die kinderen beloofde te leren tekenen als Paul Klee. Dus Klee probeert te tekenen zoals kinderen, waarna kinderen zouden moeten leren tekenen zoals Klee? Overal valt iets van te leren, maar wát precies, is in dit geval niet duidelijk.

Het getuigt in ieder geval van een merkwaardige opvatting over wat tekenonderwijs zou moeten doen. Of en hoe dat anders zou kunnen, is voor een volgende keer.

Eerdere blogs:
DE (GEMANKEERDE) ONTWIKKELING VAN DE KINDERTEKENING (2)
DE (GEMANKEERDE) ONTWIKKELING VAN DE KINDERTEKENING (1)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *