De gebeurtenissen in Stadskanaal raken mij diep. Niet alleen vanwege het geweld zelf, walgelijk en onbevattelijk, maar evenzo vanwege de vraag hoeveel kinderen in Nederland leven in omstandigheden die voor buitenstaanders nauwelijks voorstelbaar zijn. Kinderen voor wie geweld, vernedering, controle en angst onderdeel worden van het dagelijks leven. De oproepen van onder anderen Leony Coppens en Mariëlle Bruning om deze vormen van ernstig geweld tegen kinderen veel serieuzer te nemen, voelen daarom uiterst urgent.
Enkele jaren geleden kwam ik via een collega voor het eerst in aanraking met wat destijds nog het Alternatief Beraad heette, een voorloper van het huidige Kenniscentrum Transgenerationeel Georganiseerd Geweld. Via haar hoorde ik verhalen over mensen die langdurig leefden onder dreiging, mishandeling, misbruik en controle binnen vormen van georganiseerd geweld. Vaak ging het niet om op zichzelf staande incidenten, maar om geweld dat verweven was geraakt met intergenerationele patronen van angst, macht, uitbuiting en traumatisering.
Aanvankelijk voelde die wereld voor mij onwerkelijk, alsof ik keek naar iets wat zich buiten het gewone maatschappelijke zicht afspeelde. Maar hoe meer ik luisterde en las, hoe meer ik begon te begrijpen hoe kinderen kunnen leren leven in twee werkelijkheden tegelijk: het kind dat overdag naar school gaat, zich aanpast en probeert normaal te functioneren, en het kind dat achter gesloten deuren leeft in angst, vernedering en voortdurende dreiging.
Misschien nog confronterender was het besef dat ook ik, met name in mijn jaren binnen de jeugdbescherming, kinderen en volwassenen heb gezien bij wie achteraf signalen zichtbaar waren van mogelijk dergelijke achtergronden, signalen die ik destijds niet volledig begreep of in hun samenhang kon plaatsen.
Juist dat maakt deze problematiek zo ingewikkeld. Sommige verhalen zijn zo ernstig dat ze botsen met ons professionele én menselijke voorstellingsvermogen. Sommige signalen zo subtiel dat we ze niet opmerken. We relativeren, individualiseren of fragmenteren wat we horen, vaak zonder dat we ons daarvan bewust zijn. De macht en geslotenheid van dergelijke systemen spelen daarin mee. Kinderen leren al vroeg dat spreken gevaarlijk is, dat niemand hen gelooft, of dat de buitenwereld toch niet ingrijpt. En eerlijk gezegd: de maatschappij weet zich hier vaak moeilijk of niet toe te verhouden. Ongeloof en onmacht liggen voortdurend op de loer.
Via mijn zoektocht naar informatie hierover kwam ik terecht bij Alison Miller. In haar werk met overlevers van extreme, georganiseerde en vaak intergenerationele traumatisering benadrukt zij steeds opnieuw hoe belangrijk het is dat therapeuten leren luisteren zonder te snel weg te verklaren, te pathologiseren of dicht te klappen uit ongeloof. Niet alles wat verteld wordt hoeft onmiddellijk volledig bewezen of verklaard te kunnen worden om serieus genomen te worden als uiting van diepe angst, ontregeling en mogelijk onvoorstelbare traumatische ervaringen.
Vooral haar laatste boek, Understanding and Treating Organized Abuse Survivors, raad ik behandelaren aan. Niet omdat het eenvoudige antwoorden geeft, maar omdat het helpt om taal, kaders en klinisch begrip te ontwikkelen voor fenomenen die veel professionals nauwelijks in hun opleiding tegenkomen: dissociatie, extreme controlemechanismen, traumatische loyaliteit, geheimhouding, fragmentatie en de immense complexiteit van herstel na chronisch relationeel geweld.
Na heftige incidenten ontstaat kortstondig maatschappelijke aandacht. Zoals nu. We schrikken, stellen vragen en beloven dat het nooit meer mag gebeuren. Maar daarna ebt de aandacht weg. Juist dat is gevaarlijk. Want het geweld tegen deze kinderen verdwijnt niet wanneer de krantenkoppen verdwijnen. Georganiseerd geweld stopt niet wanneer de media-aandacht afneemt.
Misschien moeten we daarom stoppen met doen alsof dit alleen uitzonderlijke incidenten zijn. Niet om overal complotten te zien, maar om te voorkomen dat we complexe en ernstige vormen van geweld bij voorbaat weg verklaren omdat ze ongemakkelijk voelen of af te doen als een enkele ontsporing.
Ik hoop allereerst dat deze kinderen goede hulp krijgen. Dat is het allerbelangrijkste. Verder hoop ik dat de gebeurtenissen in Stadskanaal aanleiding geven om hulpverleners, gedragswetenschappers, jeugdartsen, psychiaters, leerkrachten, onderzoekers, juristen én volwassenen die dit hebben overleefd samen rond de tafel te brengen. Om gezamenlijk kennis te ontwikkelen over signalen die we kunnen zien maar nog missen.
En ik heb nog een zorg. Mijn zorg is dat we in onze terechte aandacht voor het voorkomen van onnodige uithuisplaatsingen het risico lopen te terughoudend te worden in het herkennen van ernstige en chronische onveiligheid zoals in Stadskanaal. Natuurlijk horen kinderen zoveel mogelijk veilig thuis op te groeien, moeten ouders steun en hulp krijgen en moeten we kritisch blijven op het leed dat onnodige ingrepen gezinnen kunnen aandoen. Maar een beweging richting “nul uithuisplaatsingen” kent een schaduwkant: de balans tussen bescherming en terughoudendheid kan doorslaan richting te lang thuis blijven. Hoe voorkomen we dat juist kinderen die leven in terreur, controle of langdurige mishandeling nóg later worden gezien? Sommige kinderen hebben niet méér tijd nodig, maar eerder bescherming en ingrijpen. Dit is voor mij een van de grootste dilemma’s in kinderbescherming: wanneer grijp je in.
Helaas weten we ook dat we veel kinderen niet tijdig bereiken. Van hen horen we pas op volwassen leeftijd horen hoe intens traumatisch hun jeugd werkelijk was. Hoogste tijd voor blijvende kennisontwikkeling, betere signalering en gespecialiseerde hulp voor zowel kinderen als volwassen overlevers!







