Neem de stem van het kind in de knel serieus (3)

Delen:

‘Ik probeer me te herinneren waar we zaten: mijn moeder, de twee meesters en ik. Zaten de meesters en ik op een bank, ik tussen hen in, en zat mijn moeder op een stoel tegenover ons? (…) Ik mocht kiezen. Wilde ik een tijdje wonen bij de meester die ik nu had of bij de meester die ik vorig jaar had gehad? (…) Het was van groot belang om de naam te noemen van de meester bij wie ik een tijdje wilde wonen. Heb ik naar die meester gekeken en ‘bij jou’ gezegd? Heb ik naar de vloer gekeken en zijn naam genoemd? Ik denk het laatste. Of iets wat erop leek. Ik kan me niet voorstellen dat ik de naam durfde te zeggen van de meester van mijn keuze én hem daarbij aan te kijken.’ Uit: Tjitske Jansen (2015) Voor altijd voor het laatst, Amsterdam: Querido

Goed communiceren met kinderen betekent allereerst en steeds opnieuw goed en geduldig luisteren. Dat is wat we van elke professional die met kinderen in spannende omstandigheden werkt mogen verwachten. Goed luisteren. En kijken, maar niet te veel aankijken en zeker niet steeds op zoek naar rechtstreeks oogcontact. De rechter of andere professional die van een kind verlangt om hem ‘beleefd aan te kijken’, ontbreekt het vaak niet alleen aan besef van mogelijke culturele verschillen betreffende beleefdheid. Het ontbreekt deze professional sowieso aan besef van het ongemak waardoor een kind kan worden gekweld in een lastige situatie zoals hierboven beschreven door Tjitske Jansen.

Goed communiceren met kinderen betekent ook zelf niet te veel praten. En zorgen dat jullie er goed bij zitten – zo min mogelijk aan een grote tafel of bureau tegenover elkaar en zeker niet aan weerszijden van een grote kantoortafel. Liefst niet te ver van elkaar maar ook weer niet meteen heel dicht bij elkaar, en zoveel mogelijk op gelijke hoogte. Het makkelijkst gaat dat meestal als je samen iets onderneemt – samen even een formulier met relatief neutrale gegevens zoals adres, straatnaam, adres van vriendjes of familie en route daarheen of naar school doornemen om al doende naar relevante vragen toe te werken, een stadsplattegrond of platenboek bekijken, iets eten, … of helemaal niet zitten, maar even wandelen of een ritje maken.

Als we kinderen in spannende, pijnlijke of ingewikkelde omstandigheden als professional spreken, is het lang niet altijd mogelijk om het tegenover elkaar zitten te doorbreken. Laat staan dat we ons de luxe kunnen veroorloven om taarten met ze te bakken, zoals in Taarten van Abel en Babel, of hun haar te knippen, zoals in Hoofdzaken. Natuurlijk gaat het in die programma’s juist zelden of nooit om kinderen in de knel, maar dit zijn wel inspirerende voorbeelden van soepele communicatie met kinderen, waarbij de focus op het gesprek ondergeschikt lijkt aan de activiteit. Daar waar mogelijk naar zoeken blijft een belangrijke uitdaging bij het gesprek met kinderen in moeilijkheden.

Bij elk contact met een kind waarvan we vermoeden of weten dat het in de knel zit, dient het besef voorop te staan dat de meeste kinderen het lastig vinden om het met een onbekende zomaar over vertrouwelijke kwesties te hebben, zeker als ze zich beklemd voelen. Zelfs met een bekende, een buurman, een tante die ze af en toe zien, of hun leraar praten ze lang niet altijd zonder haperingen over persoonlijke dingen, laat staan over zoiets super heftigs als de vraag bij wie ze het liefste zouden willen wonen en al helemaal als een van hun ouders daarbij aanwezig is en er spanningen zijn die uiteraard samenhangen met die vraag. Laat staan dat ze daarbij direct oogcontact zoeken. Tjitske Jansen weet die kinderlijke ervaring perfect op te roepen in de aangehaalde passage in haar boek Voor altijd voor het laatst.

Vooral als het kind stilvalt is het zaak om op te passen en het kind niet te overrulen. Bovendien zijn de condities waaronder een gesprek met een kind plaatsvindt dat zich in een moeilijke situatie bevindt, vaak allesbehalve bevorderlijk voor een relaxte sfeer en gemakkelijk contact. Er stapt een onbekende binnen waarbij het kind ogenblikkelijk voelt dat zijn moeder of vader daar niets van moet hebben en er meteen spanning is. Het kind heeft een uitnodigingsbrief gekregen die het nauwelijks begrijpt. Het moet naar een groot zakelijk en onbekend kantoor of gerechtsgebouw, met beveiligers en veiligheidspoortjes. Het wordt meegenomen naar een kille, kale, onpersoonlijke kantoorkamer. Dan is het vaak extra zoeken naar mogelijkheden om met het kind in gesprek te komen, zeker als het een kind betreft dat uit zichzelf niet gemakkelijk praat. Dan komt het niet alleen aan op de intuïtie en de open houding van de professional, maar ook op diens kennis en ervaring met uiteenlopende manieren en middelen om een vlot en zinvol gesprek met een onbekend, onzeker en gespannen kind te voeren.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *