In De Volkskrant van 13 januari j.l. waarschuwen korpschef Janny Knol en de baas van het OM dat hun organisaties digitaal kwetsbaar zijn, terwijl de criminaliteit op meerdere vlakken naar online verschuift. Ze doen een oproep aan het kabinet om stevig te investeren in informatie- en communicatietechnologie.
Dat lijkt me een zeer realistisch voorstel. Ik zou nog wat verder willen gaan. We weten namelijk allang dat er door voorgaande kabinetten jarenlang is bezuinigd op de politie. Zo kampt de Amsterdamse recherche al jaren met een enorme onderbezetting. In 2019 maakte de voorganger van Janny Knol, Erik Akerboom, duidelijk dat als gevolg van bezuinigingen de druk op de politie steeds groter was geworden met ernstige consequenties voor de taakuitvoering. Onder de titel ‘Te groot voor de wijkagent, te klein voor de recherche’ wees ik er enkele jaren terug samen met Henk Ferwerda en Robby Roks op dat jonge ‘doorgroeiers’ in de criminaliteit hierdoor uit beeld dreigden te raken. Ook op dat vlak van de aanpak van jonge veelplegers zijn extra investeringen dus dringend geboden.
Tegelijkertijd moeten we erkennen dat de jeugdcriminaliteit in het algemeen sinds het begin van deze eeuw spectaculair is afgenomen. Terecht wees de Politie Eenheid Den Haag onlangs nog op deze positieve ontwikkeling, waarbij er sinds 2019 sprake is van een ‘redelijk stabiel aantal minderjarig verdachten’ en van een nog steeds doorzettende daling bij de jongvolwassenen. Zo laat ik in mijn boek Criminele jeugd zien dat de jeugdige delinquenten niet, zoals vaak wordt gedacht, steeds jonger worden en evenmin steeds zwaardere delicten plegen.
In datzelfde interview brengt Janny Knol daartegen in, dat de helft van het aantal verdachten van straatroof en overvallen tegenwoordig wordt gepleegd door minderjarigen, om daar aan toe te voegen dat we moeten uitkijken ‘dat we ons niet in slaap laten sussen door generieke trends.’
In het zojuist aangehaalde rapport van de Politie Eenheid Den Haag wordt echter juist aangegeven dat dit weliswaar een zorgelijk maar heel specifiek, klein deel van de jeugdcriminaliteit betreft, waarbij vooral rivaliserende jeugdgroepen elkaar laten zien waartoe ze in staat zijn. Intimidatie en vernedering van leeftijdgenoten zijn daarbij belangrijker dan de buit en de confrontaties worden dan ook bij voorkeur gefilmd en online gedeeld.
Helaas zijn de thans beschikbare politiecijfers niet uitgesplitst naar leeftijd. Maar als we vervolgens naar de wel beschikbare cijfers kijken, dan is toch het eerste dat opvalt juist de enorme afname van het aantal verdachten van straatroof. Voor de grote steden betreft dat een afname tussen 2012 en 2025 tot 1/3 (Amsterdam) en 1/4 (Rotterdam, Den Haag en Utrecht) en 1/6 voor bijvoorbeeld Maastricht. Inderdaad, dat de helft van de straatroven in ons land tegenwoordig wordt gepleegd door jongeren jegens leeftijdgenoten is een zorgelijk feit. En zo zijn er zeker meerdere zorgelijke ontwikkelingen, met name wat betreft jongeren die langdurig in de criminaliteit terechtkomen, waaraan ik in mijn laatste boek en in verschillende andere publicaties uitvoerig aandacht heb besteed. Dat laat echter onverlet dat de jeugdcriminaliteit in het algemeen in ons land nog lang niet terug is op het niveau aan het begin van deze eeuw.
Terecht vragen politie en justitie aandacht voor de grote problemen waar zij vooral als gevolg van gebrekkig beleid mee worden geconfronteerd. Dat betekent echter niet dat we moeten komen met paniekverhalen, zoals die in diverse media voortdurend worden rondgebazuind. Er is behoefte aan een realistisch beeld van de jeugdcriminaliteit anno 2026.





