Op 10 maart debatteert de Eerste Kamer over het wetsvoorstel Drempelverlaging omgang grootouders van de vorige minister voor Rechtsbescherming, Franc Weerwind, dat in juni 2024 is aangenomen door de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel beoogt het voor grootouders makkelijker te maken om langs juridische weg omgang met hun kleinkinderen te eisen. Dit voorstel staat haaks op het breed gedeelde inzicht dat naar de rechter stappen om je zin te krijgen wat betreft een regeling aangaande de kinderen, juist in het belang van deze kinderen dient te worden vermeden. In een juridisch gevecht om de kleinkinderen is er in elk geval één partij die daar ernstig onder lijdt en dat zijn de kleinkinderen zelf.
Met deze wet, waarop door het CDA al sinds 2015 wordt aangedrongen, wordt in meerdere opzichten een stap achteruit gezet. Allereerst is het merkwaardig dat de wet een uitzondering inhoudt voor deze ene groep en niet een meer universele drempelverlaging voor bloedverwanten zoals broers en zussen verlangt, zoals toenmalig minister, Ard van der Steur, in antwoord op de initiatiefnota van de Mona Keijzer in 2015 al signaleerde.
Tegelijkertijd wordt de wet echter beargumenteerd met de zorg die grootouders tegenwoordig vaak voor hun kleinkinderen hebben. Dan wordt de natuurrechtelijke redenering dus losgelaten en gaat het niet meer om bloedverwantschap maar om de sociale rol die grootouders kunnen spelen in het leven van het kind. Zoals VVD-Kamerlid Ulysse Ellian constateerde, ontbreekt dan in feite elke reden om de oude regeling aan te passen. De huidige wet biedt immers een algemene rechtsingang voor alle personen die kunnen aantonen dat zij ‘in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan’.
Opmerkelijk is ook dat de voorstanders zich beroepen op een onderzoeksrapport van het Verweij Jonker Instituut en de Universiteit Utrecht, terwijl deze onderzoekers juist op voorzienbare problemen wijzen als grootouders als enigen niet hoeven te bewijzen dat zij een nauwe band hebben met het kind voordat zij hun omgangsvormen kunnen voorleggen aan de rechter.
Indertijd is er door de eerste Kinderombudsman, Marc Dullaert, al gewezen op het onvermijdelijk negatieve gevolg van drempelverlaging voor grootouders, aangezien het aantal partijen dat aan het kind kan trekken dan zeker zal toenemen, zoals ook door kinderen met ervaring met dergelijke situaties herhaaldelijk is aangegeven. Via de rechter afgedwongen omgangsrecht van grootouders vergroot de kans dat dit leidt tot verdere escalatie van de spanningen binnen het gezin of tussen de ex-partners.
Hiermee komen we bij het belangrijkste bezwaar tegen dit voorstel. Zoals de Raad voor de Rechtspraak constateerde dient de nieuwe regeling het belang van de eisers, niet die van het kind. Het wetsvoorstel draait om het belang van die grootouders die zich niet kunnen neerleggen bij het feit dat hun (schoon)zoon en/of (schoon)dochter hen geen omgang met hun kleinkind gunt. Terecht merkte oud Kamerlid Michiel van Nispen op dat grootouders de weg naar de rechter uiteraard niet zoeken als er ontspannen onderling contact is. Er zijn dan juist ernstige spanningen en ruzies en er lopen soms al straf- of beschermingszaken zoals ik in mijn boek Wat het zwaarst weegt heb laten zien.
Let wel, kleinkinderen vragen niet om een omgangsregeling, maar grootouders. Die stappen naar de rechter als zij en de ouders van de kinderen niet meer soepel door één deur kunnen. Zoals organisaties van gefrustreerde grootouders als Stichting voor mijn kleinkind hun recht op omgang met hun kleinkinderen opeisen. Het kost weinig moeite om je het verdriet van grootouders voor te stellen in het geval die een nauwe band met het kind hadden. Maar naar de rechter stappen om via die weg je recht op omgang met je nageslacht af te dwingen leidt allerminst tot een oplossing voor deze conflicten, maar eerder tot escalatie daarvan en verdergaand schadelijk getrek aan het kind. Zo stelde de Raad voor de Rechtspraak al in september 2022 dat dit wetsvoorstel ‘niet in het belang van het kind is, gelet op de vaak conflictueuze omstandigheden en de verhoudingen binnen gezinnen.’
Liefdevolle grootouders met een nauwe, innige band met hun kleinkind realiseren zich, al is het met pijn in hun hart dat zodra zij hun verlangen naar omgang met het kind doorzetten in een gang naar de rechter, het juist dit kind is dat daar ernstig onder te lijden zal hebben.






