De jeugdstrafzitting als kinderspel?

Delen:

Ruim 100 jaar geleden werd in ons land besloten tot de instelling van een aparte kinderrechter. Van links tot rechts was en is men het er gelukkig nog steeds over eens dat rechtspreken over kinderen, los van de ernst van de zaak en de eventueel op te leggen sancties, speciale kennis en pedagogische vaardigheden vereist en dat kinderen beschermd moeten worden tegen mogelijke kwalijke gevolgen van hun verschijning voor de rechtbank.

In dit licht is het merkwaardig dat er sinds kort op enkele middelbare scholen wordt geëxperimenteerd met zogeheten ‘jongerenrechtbanken’. Na een aantal bezoeken aan experimenten met teen courts in de VS werd in 2014 een stichting opgericht, die het jaar daarop een vergelijkbaar experiment lanceerde op drie Amsterdamse middelbare scholen. Leerlingen die zich hebben misdragen worden gevraagd te verschijnen voor een forum van medeleerlingen. Zo wordt inmiddels op sommige scholen voor voortgezet onderwijs met een jongerenrechtbank gewerkt.

De gedachte van een forum van leerlingen dat oordeelt over medeleerlingen botst met een kernbeginsel van onze rechtsstaat. Wij prijzen ons immers gelukkig dat we in een land leven waarin we niet door onze buren of collega’s worden beoordeeld en een straf opgelegd kunnen krijgen.

Wat vormt nu de motivatie voor dit streven naar berechting van leerlingen door medeleerlingen? Daarvoor worden allerlei vage associaties geopperd, zoals ‘weer meer verantwoordelijkheid en regie bij de burger’ en ‘de sociale cohesie op school vergroten’ en ‘het proces teruggeven aan scholieren.’

Voor degenen die hier niet meteen een warm gevoel bij krijgen, wordt vervolgens een heel andere maar beslissende stap gezet, want dan wordt de rechtvaardiging gezocht in de veronderstelde grotere effectiviteit. Vervolgens blijkt het een kleine stap naar de gedachte dat het ook efficiënter zou zijn, aangezien dit ‘de belasting van het justitiesysteem beperkt en relatief weinig kost’. Kortom, de jongerenrechtbank als effectieve en efficiënte, want goedkope methode van conflictoplossing die de verantwoordelijkheid bij de partijen zelf legt.

Jaren geleden spraken onderzoekers al hun verbazing uit over de enorme populariteit van het Teen Court in de VS, zonder dat er bewijs was voor de veronderstelde werkzaamheid wat betreft een afname van de recidive. Formeel gezien is het overigens discutabel of er bij de kwesties waar de jongerenrechtbank zich over buigt überhaupt kan worden gesproken over ‘preventie van recidive’, omdat er strikt genomen geen sprake is van een bewezen strafbaar feit. Uit de paar relevante overzichtsstudies blijkt echter allerminst een positief effect. Dat is logisch, aangezien het hier uitdrukkelijk om ‘low risk’ storend gedrag gaat, waar de kans op recidive dus zeer gering is. Daarmee is de kans dat op dit punt ook maar enig betekenisvol verschil zal worden gevonden met gangbare sanctionering verwaarloosbaar.

Ook het argument van de verlichting van het justitiesysteem en daarmee het idee van kostenbesparing is niet steekhoudend. De meeste gedragingen waar de jongerenrechtbank zich over buigt betreffen zaken als pesten, uitschelden en vechten zonder verwonding. Die brengen in een gezonde maatschappelijke context geen bemoeienis van politie en justitie met zich mee. En omgekeerd, waar het zaken buiten de school, zoals stelen uit de buurtsuper, graffiti en serieuze bedreiging of ernstige mishandeling betreft, is het onwenselijk dat dit niet door de politie (en waar nodig het Openbaar Ministerie) wordt afgehandeld.

In dit opzicht past de gedachte dat leerlingen rechtspreken over medeleerlingen in een zorgelijke trend die de Raad van State tien jaar geleden al signaleerde, waarbij efficiëncy-overwegingen de overhand hebben en onvoldoende rekening wordt gehouden met de rechtsbescherming. Daarbij wees de Raad nog op een ander zorgelijk verschijnsel, dat hier direct mee samenhangt en dat helaas ook aan de orde is met de toepassing van de jongerenrechtbank. Dat betreft de willekeurige manier waarop wordt bepaald welke delicten onder welk sanctiestelsel vallen en de rechtsongelijkheid die dit met zich meebrengt. Is iets jatten uit de supermarkt een kwestie die winkeliers zelf mogen afhandelen in termen van civiele maatregelen zoals schadevergoeding en winkelverbod (wat in de praktijk regelmatig blijkt voor te komen)? Of behoort dit primair tot de taak van de politie? Of moeten we dit nu opvatten als een taak van de school waar de daders vandaan komen? En de ernstige bedreiging en de mishandeling net buiten het schoolplein? Enzovoort, enzovoort.

Het is juridisch en pedagogisch onverantwoord om leerlingen recht te laten spreken over medeleerlingen. In lessen maatschappijleer dient geen rechtbankje te worden gespeeld, maar te worden gewezen op belangrijke uitspraken en rechten. De jongerenrechtbank leidt tot toenemende sanctionering van flutdelicten. In plaats van waar nodig tot bemiddeling te leiden, leidt het tot ‘kleine juridisering’. Het mist oog voor het belang van onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak. Het ontbeert oog voor het belang van het te veroordelen kind en ziet voorbij aan de mogelijk schadelijke gevolgen door de betrokken kinderen in een soort toneelstuk te laten optreden. Het legt de verantwoordelijkheid voor maatregelen van de kant van docenten en schoolleiding ten onrechte bij de leerlingen. Het houdt onvoldoende rekening met het belang van rechtsbescherming en rechtsgelijkheid en vergroot de willekeur wat betreft welke instantie reageert op welk wangedrag van jongeren.

Lees mijn hoofdstuk hierover in Criminele jeugd en mijn artikel in PiP 126.

 

,

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *