Voorschool loont als ze ophoudt met schooltje spelen

Eindelijk is dan ook de Volkskrant bijna zover. In zijn hoofdredactioneel commentaar (Volkskrant 22 februari 2017, 23), onder de titel ‘De voorschool loont’, drukt Sander van Walsum nog net niet genoeg door. Zijn bezwaren tegen de stelling van James Heckman, dat de voorschool  op de langere termijn zes- tot achtvoudig rendement zou opleveren, zijn volkomen terecht. In Nederland kennen we de achterstanden van de getto’s in de Amerikaans grote steden waarop Heckmans onderzoek is gebaseerd niet. Wie er ooit is geweest snapt onmiddellijk waarom die onderzoeksresultaten beslist niet vertaalbaar zijn naar de Nederlandse situatie. De Nederlandse VVE-lobby gaat daar anders mee om. In een door de Bernard Van Leer Foundation betaalde commerciële bijlage, met als titel ´Jong geleerd´, haalde zij Heckmans stelling dat het economisch rendement van het Perry Preschool Program wel 7 tot 10 procent was nog zonder enige relativering aan. Van Walsum had klaarheid moeten scheppen over het feit dat de aanpak van de Nederlandse achterstandsbestrijding volledig op het op buitenslands onderzoek steunt. Eind 2015 toonde de Amsterdamse hoogleraar Ruben Fukkink het volkomen gebrek aan effectiviteit van Nederlandse voorschoolse programma’s nog eens in een overzichtsstudie aan.

Van Walsum maakt dan wel gewag van het debat onder jonge kind deskundigen en de fundamentele kritiek op de rigiditeit van de VVE-programma´s – hij wijst er bijvoorbeeld op dat de schoolsheid zelfs tot leeraversie kan leiden – maar ook hier maakt hij zijn redenering niet af. Te zeer focussen op de psychologische toerusting van de Nederlands peuterleider kan zelfs afleiden van de kern van de zaak, want het gaat wel degelijk ook om zijn of haar didactische kwaliteiten. Het doorslaggevende basisinzicht is dat het jonge kind anders leert dan het schoolkind (vanaf zes jaar) en dat we met peuters dus geen schooltje moeten spelen, maar de peuters zelf moeten laten spelen. Taal- en rekengedram op die leeftijd is een economische desinvestering. Het gaat erom dat het voorgeprogrammeerde leren in die ontwikkelingsfase, noch op korte- nog op langere termijn gemeten, een positief meetbaar resultaat oplevert. Waarom wordt er in Nederland nog altijd geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van een aanpak die de vooronderstellingen van de nu al jaren door het ministerie gepromote VVE-programma’s fundamenteel ter discussie stelt? Daar had ik Van Walsum graag om horen vragen.

In plaats daarvan zegt hij het ondanks het gebrek aan effectiviteit verheugend te vinden dat tachtig procent van de jonge kinderen met een risico op achterstand naar voorschoolse voorzieningen gaat. Dat er inmiddels zelfs kinderen aan deelnemen die niet in een achterstandspositie verkeren juicht hij ook al toe. Maar staatssecretaris Dekker heeft in zijn brief van 6 juni 2016 juist nog eens expliciet verordonneerd dat de voorschool uitsluitend voor de achterstandskinderen mag worden ingezet. Als Van Walsum de dreigende tweedeling in onderwijs en samenleving zo aan het hart gaat als hij doet voorkomen, moet hij niet voor een algemene toegankelijkheid van de huidige VVE-voorziening pleiten, maar een pleidooi houden voor alternatieven die de al jaren bekende gebreken van die aanpak mogelijk kunnen repareren. Dat is een aanpak die de andere manier van leren van peuter en kleuter serieus neemt en het vrije spel van kinderen stimuleert en niet van al het lerend spelend geprogrammeerd spelend leren maakt. (Om te kunnen zien wat kinderen in vrij spel – ook van elkaar – leren, moet je heel goed hebben leren kijken). Dat is een aanpak die zich realiseert dat het leren herkennen van waar een individueel jong kind aan toe is om veel meer scholing vraagt dan de instructie die nu in het kader van de VVE gegeven wordt. Dat is een aanpak die de voortdurende, onnodige, gebrekkige en voor het jonge kind belastende toetsing weet te vermijden. (Voor het volgen van kinderen zijn volop alternatieven beschikbaar die hen niet voortdurend met hun falen confronteren en waar ze niet voor hun leven gedemotiveerd van raken). Dat zijn alternatieven die voorzien in veel meer doorgaande scholing on the job naar aanleiding van de concrete problemen die zich daar voordoen. Dat is een aanpak die – om maar iets te noemen – die niet alleen het resultaatgerichte interactieve voorlezen propageert, maar ook en vooral de literaire beleving aanwakkert. Ik vind kortom dat Van Walsum veel te snel de achterstandsbestrijdingsambitie opgeeft zonder dat alternatieve aanpakken gesteund door een vergelijkbaar budget, dat de afgelopen jaren voor de VVE werd vrijgemaakt, zijn uitgeprobeerd.

Het Onderwijsinspectierapport waar Van Walsum zijn commentaar op baseert verscheen eergisteren. Investeren loont! Eindrapportage monitor kwaliteit voor- en vroegschoolse educatie in de 37 grote steden in 2015/2016 is een juichverhaal over de toegenomen kwaliteit van het gemeentelijk VVE-beleid. Als het om het succes van de VVE aanpak als achterstandsbestrijder gaat wordt naar één enkel onderzoek verwezen en blijven al die onderzoeken die Fukkink in zijn vernietigende overzichtsstudie opnam onvermeld. Elke wetenschapper hoort te weten dat voor kwantitatief onderzoek geldt dat één onderzoek, geen onderzoek is. Daarnaast zijn de conclusies van Veen & Leseman van het betreffende Pre-COOL cohortonderzoek uit 2015 ook nog eens zeer voorzichtig geformuleerd. En voor zover er conclusies worden getrokken gelden die alleen de kinderen met een achterstand, dus waar Van Walsum zijn conclusie, dat er genoeg redenen zijn om het peuteronderwijs open te stellen voor alle kinderen, op baseert is mij werkelijk een raadsel. In ieder geval is niet duidelijk of het voor die kinderen ook goed is. De conclusies van het inspectierapport betreffen vooral de vraag of de gemeenten zich bij de uitvoering van het VVE-beleid aan de voorgeschreven aanpak hebben gehouden en niet of er sprake is van ingelopen achterstanden. ‘De onderzochte gemeenten voldoen aan de wettelijke eisen. Daarbij stimuleren ze de kwaliteit van VVE door afspraken te maken over onder andere het ouderbeleid en de kwaliteitszorg. Ook op de voor- en vroegscholen zelf gaat het beter. Steeds meer locaties betrekken de ouders bij het stimuleren van het kind. Verder is er veel vooruitgang te zien in het pedagogisch klimaat.’ (Nieuwsbericht Onderwijsinspectie, 21 februari 2017).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *