Kinderraad is al te goedkoop – deel 2

Suggereren dat raden bestaande uit kinderen uit de bovenbouw van de basisschool bij uitstek geëquipeerd zijn om het bedrijfsleven te adviseren bij hun strategische dilemma’s is kinderen niet serieus nemen, stelde ik in het vorige blog naar aanleiding van een analyse van de aanpak en de uitgangspunten van de Missing Chapter Foundation vast. Negen tot twaalfjarigen missen de bijzondere competenties die oprichter Prinses Laurentien van Oranje en al die anderen, die in haar koor meezingen, aan hen toeschrijven. Veel kinderen van die leeftijd beschikken ontegenzeggelijk over een grote dosis onbevangenheid. Ook zijn ze gemakkelijk enthousiast te maken voor waarden als duurzaamheid bijvoorbeeld. En voor ceo’s van grote bedrijven is het echt een buitenkans om op zo’n eenvoudige manier de clientèle van vandaag én morgen te spreken te kunnen krijgen. (De ceo van de HEMA kan in het interview op de site van de MCF zijn geluk niet op). De kinderen zullen van de projecten veel opsteken en ze zullen er veel plezier aan beleven. Maar waar komt toch die neiging om negen tot twaalfjarigen als kleuters te behandelen vandaan? Die neiging is zo’n halve eeuw oud.

Eind jaren zestig van de vorige eeuw kreeg het kind in Nederland voor het eerste echt een stem. Wat mij betreft maakt het decennium dat volgde aanspraak op predicaat kindvriendelijkste periode uit de Nederlandse geschiedenis. Sindsdien gaan ouders en kinderen op een open en gelijkwaardige manier met elkaar om. In die jaren hoorden ze er niet alleen echt bij, maar mochten ze ook kind zijn. Ook door andere instanties werden ze serieus genomen. Menig architect liet ook een panel kinderen zijn licht schijnen over de plannen voor een nieuwbouwwijk. Niet alleen om te weten waar de wipkip en de zandbak moesten komen, maar om te horen hoe de wijk als geheel ook een wijk van en voor de kinderen zou zijn. Volwassenen keken in die jaren met een kindgerichte blik. Het woonerf, de wijkopzet waarbij aan de positie van het kind prioriteit werd gegeven, is een uitvinding uit eind jaren zestig.

In 1975 publiceerde Lea Dasberg haar bestseller Grootbrengen door kleinhouden. Ze keek aan de hand van de Franse historicus Philippe Ariès ver terug in de tijd. Ze nam in de geschiedenis van het kind twee emancipaties waar. Halverwege de achttiende eeuw de eerste. Toen werd het kind bevrijd uit de rauwe volwassenwereld van de middeleeuwen. Het kind bestond voordien eigenlijk nog niet. Als volwassene in zakformaat bleef het vanaf een jaar of zeven à acht niets bespaard. Om het jeugdland dat toen begon te ontstaan – arbeiderskinderen kinderen moesten er tot het einde van de negentiende eeuw op wachten – werden beschermende muren opgetrokken. De tweede emancipatie van het kind situeert Dasberg ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. De overbescherming – het grootbrengen door klein te houden – was onmogelijk geworden omdat er overal bommen vielen, ook op jeugdland. Het onderscheid tussen volwassenen en kinderen werd weer opgeheven. De omstandigheden vroegen erom dat het kind zich veel eerder als volwassene ging gedragen. Als de televisie in de jaren daarna in de kinderkamer komt te staan valt de maatschappelijke werkelijkheid niet meer buiten de deur te houden en komt het accent weer meer bij de maatschappij te liggen.

In 1985, tien jaar na de eerste, verscheen de tiende druk van Grootbrengen door kleinhouden, met een extra hoofdstuk onder de titel ‘In de loopgraven van de subcultuur’. Daarin moest Dasberg tot haar teleurstelling toegeven dat de door haar gewenste ontwikkeling zich niet had doorgezet. Op de eerste emancipatie, waarbij het accent op het kind kwam te liggen, en de tweede emancipatie, waarin het accent op de maatschappij op een eigentijdse manier was hersteld, was de verwachte derde emancipatie, waarin een evenwicht van accenten op kind en maatschappij tot stand had moeten komen, uitgebleven. Tijdens de economische crisis van de jaren tachtig heeft de jeugd zijn ondergeschikte positie weer moeten innemen en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. In die jaren tachtig leidde dat tot een in zichzelf gekeerde jeugdcultuur. Het bijzondere is dat het Comité ‘De kindervuist’, dat aan het Kabinet  begin jaren tachtig alternatieve troonredes aanbood en volgens Dasberg een positieve toekomstgerichte uitzondering op de negatieve trend vormde, verdacht veel lijkt op de Nationale Kinderraad die de Missing Chapter Foundation volgend jaar van start zal laten gaan en die het Kabinet gevraagd en ongevraagd over vraagstukken die de toekomst aangaan moet gaan adviseren.

Als volwassenen kinderen influisteren wat ze moeten zeggen, zoals in het geval het Comité ‘De kindervuist’ uit de vroege jaren tachtig, of als volwassenen er lacherig over doen als de kinderen erop aandringen om iets met de adviezen van de Kinderraden te doen, zoals in het geval van de Missing Chapter Foudation, worden kinderen niet serieus genomen en als kleuters behandeld. De derde emancipatie waar Lea Dasberg zo vurig op hoopte lijkt definitief van de baan. De jeugd krijgt vandaag de dag eerder minder dan meer ruimte. En als ze de ruimte probeert te nemen loopt het steevast op niets uit. De Maagdenhuisbezetting van 2015 heeft wel veel langer geduurd dan die van 1969 (6 ½ week i.p.v. 5 dagen), maar aan echte democratisering wist ze niets te bewerkstelligen. Ook in de slag om de pensioenen trekt de jongere generatie nog altijd aan het kortste eind. Tegenover de generatie van 50-plus vormt de jongere generatie ook politiek geen factor van belang. Dat kinderen geconsulteerd worden over zaken die hen direct aangaan zou volstrekt normaal moeten zijn. De inwilliging van die eis is allesbehalve utopisch, want ze sluit meestal heel goed aan bij het belang van de betrokken marktpartij of overheid. Maar serieuze participatie in de politieke besluitvorming vraagt om een serieuze voorbereiding. En daaraan wordt in ons land, ook volgens serieuze adviseurs van de overheid zoals Onderwijsinspectie en Onderwijsraad, veel te weinig aan wordt gedaan

 

————————————————————————————————————————-

Onderwijsraad (2012). Advies Verder met burgerschap in het onderwijs aan het ministerie van OC&W. Den Haag: Onderwijsraad.

Inspectie van het onderwijs (2016). Burgerschap op school. Een beschrijving van burgerschapsonderwijs en maatschappelijke stage. Ministerie van OCW.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *