Wilhelmusplan rijp voor een Trumpje

Het onderwijs zou een van de belangrijkste thema´s van het volgende kabinet worden. De formerende partijen hadden al laten weten dat een noodzakelijke positieverbetering van leraren er bij lange na niet in zit. Wel zullen zij verplicht worden les in het Wilhelmus te gaan geven. Ook zullen  Nederlanders op hun achttiende verjaardag van hun burgemeester een boekje krijgen over de geschiedenis van Nederland met een uitleg van onze ‘democratische rechtsstaat’. Er wordt blijkbaar nog onderhandeld over het plan van CDA-leider Sybrand Buma om het Wilhelmus dagelijks staand te laten zingen op scholen. Het pleidooi van D66 voor lessen over kolonialisme en slavernij heeft het ook nog niet gehaald. Wel is men het erover eens dat er ‘op samenhangende wijze’ aandacht wordt besteed ‘aan elementen die van belang zijn voor de nationale identiteit’.

De uitgelekte plannen van de VVD-CDA-D66-CU-combinatie werden vanmorgen (16 augustus 2017) op de voorpagina van het AD als nieuw gebracht, maar zo nieuw zijn ze niet. De plannen sluiten direct aan bij de brief over ‘Versterking van het burgerschapsonderwijs’, die minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker op 7 februari 2017 aan de Tweede Kamer zonden. Aanleiding voor de brief was het Inspectierapport Burgerschapsvorming en maatschappelijke stage van eind vorig jaar, waaruit wel heel duidelijk bleek dat het burgerschapsonderwijs op enkele goede uitzonderingen na eigenlijk helemaal niets voorstelt. Het probleem is dat artikel 23 van de grondwet, waarin de vrijheid van onderwijs geregeld is, en dat juist dit jaar zijn 100-jarig bestaan viert, ervoor zorg draagt dat scholen wat het burgerschapsonderwijs betreft eigenlijk nergens toe kunnen worden verplicht. Wat Bussemaker en Dekker onverkort van de inspectie overnemen is het idee dat gedeelde waarden en een gedeelde nationale identiteit de kern vormen van burgerschap in het funderend onderwijs waaraan scholen moeten bijdragen. De plannen van de nieuwe regering i.o. zijn dus helemaal niet nieuw, maar werden voorbereid in de nadagen van het VVD-PvdA kabinet Rutte-Asscher. Wat wel heel nieuw is dat we daarvoor een halve eeuw terug moeten gaan om ‘nationale identiteit in overheidsteksten over het onderwijs terug te kunnen vinden. In het Nederlandse lager onderwijs gold van kort voor de Tweede Wereldoorlog tot het einde van de jaren zestig als een van de doelstellingen van het onderwijs in de vaderlandse geschiedenis: ‘het kweken van een gepast nationaal gevoel, vrij van chauvinisme´ (Inspectie, 1966, 83). Het mooie van die formulering is dat ze doordrenkt is van het besef dat een nadruk op nationale identiteit grote gevaren in zich bergt. Dat de nieuwe coalitie zich dat gezien het dumpen van het D66-plan voor lessen over kolonialisme en slavernij zich ook maar enigszins bewust is, moet sterk worden betwijfeld.

Op een andere plaats (zie verwijzing onderaan) laat ik uitgebreid zien waarom het zeer onwenselijk is om ´nationale identiteit` als kern van burgerschapsvorming te beschouwen. Het grote probleem is dat de grens tussen onschuldig patriottisme en giftig nationalisme niet scherp te trekken is. Nogmaals, ik ken eigenlijk geen politici die niet met open ogen in die val trappen. Ook bij het goed bedoelde credo ‘Trots op Nederland en tegen racisme en uitsluiting ’ van PvdA-voorman Asscher ging het om een blijvend problematische combinatie. Ook patriottisme zonder uitsluiting is ondenkbaar. ´Nationale identiteit´ kan en mag beslist niet als dragend element van de doelstelling van burgerschapsonderwijs worden gehanteerd. Niet alleen omdat nationale identiteit niet bestaat maar vooral ook omdat in voorhanden uitwerkingen van het begrip groepen burgers op voorhand worden uitgesloten.

Goed beschouwd loopt de onbeholpen roep van de leiders van ons volk om meer aandacht voor nationale prestaties uit het verleden eigenlijk altijd vast. Zo ging de oproep bij de Algemene Beschouwingen van 2006 van minister-president Balkenende om herstel van oude VOC-mentaliteit – met zijn dynamiek en over grenzen heen kijken – teloor aan een gênant gebrek aan historische kennis. De kern van goed burgerschapsonderwijs is nu juist gedegen geschiedenisonderwijs en maatschappijleer, en dan beter dan de meeste politici het hebben genoten. Wat het Wilhelmus betreft: Aron Brouwers en Martijn Wouters wierpen met hun boek Willem van Oranje. De opportunistische vader des Vaderlands begin dit jaar echt een ander licht op Wilhelmus van Nassaue dan de meeste onderhandelaars in Den Haag leuk vinden. Er is altijd een ander licht te werpen en dat kan gelukkig, nu de plannen van het platform Onderwijs2032 voor de afschaffing van het geschiedenisonderwijs niet zijn doorgegaan, blijven gebeuren. Want met geschiedenis kom je eigenlijk altijd in de knoop. Om met Donald Trump te spreken, vandaag is het Confederate general Robert E. Lee en Stonewall Jackson, en morgen George Washington en Thomas Jefferson.

Bas Levering (2017). Burgerschapsvorming en nationale identiteit. In Liber Amicorum voor Micha de Winter. (Verschijnt in september in het tijdschrift Pedagogiek).

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *