Hoe lang gaan we nog door met illusoire screening kindermishandeling?

Zoals bekend scoort Nederland nog steeds zeer goed als het gaat om welbevinden van kinderen en staan we nog steeds op de eerste plaats wat betreft tevredenheid en geluksgevoel onder de Nederlandse jeugd. Desalniettemin neemt het wantrouwen jegens ouders in het algemeen langzamerhand bizarre vormen aan. Op dit punt lijkt intussen sprake van een morele paniek wat betreft kindermishandeling. Tegen de achtergrond van deze morele paniek is de afgelopen jaren een bonte verzameling van screenings- en risicotaxatie-instrumenten ingevoerd. Dit ging vrijwel overal gepaard met haast en gebrek aan weloverwogen maatregelen. Overval werd snel wat bedacht, zorgvuldig opgezette en wetenschappelijk begeleide pilots ontbraken – ‘geen tijd voor’ -, inzicht in ethische en juridische problemen bleef volstrekt buiten beschouwing – ‘niet nodig’ – …., en de landelijke overheid wachtte af.

Zo werd zeven jaar geleden screening op kindermishandeling bij afdelingen spoedeisende eerste hulp en huisartsenposten opgezet. De Inspectie voor de Gezondheidszorg meende dat op deze afdelingen veel te weinig mishandelde kinderen werden opgespoord, terwijl dergelijk bezoek aan een onbekende arts een ‘gouden kans’ leek om kindermishandeling vroegtijdig op het spoor te komen. Her en der werden voortvarend lijstjes met risico-indicatoren in elkaar getimmerd en meteen ingezet. Geen pilot, geen landelijke coördinatie, geen wetenschappelijke onderbouwing en begeleiding.

Toen drie jaar geleden de toepassing van dergelijke screening bij vier afdelingen eerste hulp kritisch tegen het licht werd gehouden, bleken er van de 100 verdenkingen van kindermishandeling slechts 3 terecht. Anderhalf jaar geleden bleek uit de studie van Maartje Schouten (UU) naar de toepassing van een van deze screeningsinstrumenten bij vijf Utrechtse huisartsenposten dat slechts 8 van de 100 verdenkingen terecht waren. Stel u even voor wat dit betekent: ruim 9 op de 10 ouders bleken dus ten onrechte verdacht te worden van mishandeling van hun kind. Schouten pleitte daarom voor afschaffing van de checklist als screeningsinstrument. De huisartsen zouden slechts twee basale vragen moeten stellen en verder goed onderzoek moeten doen. Verder zou de lijst slechts moeten worden gebruikt als methode om het besef van mogelijke mishandeling te verhogen.

Dwars tegen de redelijkheid van dit voorstel drongen de Vereniging voor Kindergeneeskunde en de Inspectie echter aan op doorgaan met de huidige screening. Let wel, Nederland met zijn ereplaats qua opvoeding, is het enige land ter wereld met een dergelijke verplichte screening.

Op het congres Huiselijk geweld op 22 november in Ede toonde Elise van de Putte, kinderarts en hoogleraar sociale kindergeneeskunde bij het UMC nog eens met schokkende cijfers aan tot welke misstanden dat stug doorgaan met deze screening inmiddels leidt. Schok nummer 1: van 55.000 kinderen die gescreend werden bij huisartsen en spoedhulp werden uiteindelijk welgeteld 9 kinderen gemeld bij Veilig Thuis. Schok nummer 2: in 100 gevallen gaf de test in eerste instantie wel aanleiding tot de verdenking van kindermishandeling; na later bleek, onterecht. Schok nummer 3: van die 55.000 kinderen kwamen enige tijd later toch nog eens een kleine 500 terecht bij Veilig Thuis.

Hoe lang gaan we nog door met deze illusoire creatie van veiligheid voor kinderen? Hoe lang laat de overheid deze medisch, ethisch en juridische wantoestand voortetteren? Zoals Maartje Schouten anderhalf jaar geleden al concludeerde is het hoog tijd voor goed doordachte scholing van alle betrokkenen en voor een landelijk protocol, dat artsen verplicht tot het voeren van een open gesprek met de ouder, indien men wordt geconfronteerd met letsel dat gefundeerde vragen oproept.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *