Waarom vinden we eigenlijk dat onze kinderen hun dromen moeten kunnen najagen?

Om maar met de deur in huis te vallen, ik droom niet zo vaak, maar als ik droom, kom ik meestal in werelden terecht, waar ik helemaal niet had willen zijn. Echt bang ben ik eigenlijk nooit, meestal word ik wakker met het ongemakkelijke gevoel dat dat ik veel eerder had moeten snappen dat het maar een droom was. Hoe halen mensen het in hun hoofd dat kinderen hun dromen zouden moeten kunnen najagen? Het lijkt erop dat mensen die dat zeggen zelf nog nooit echt hebben gedroomd. Toch las ik dat Lodewijk Asscher het weer geroepen had: ‘Geef alle kinderen de kans hun droom na te jagen.’ Maar mag ik hem iets kwalijk nemen? Het koor waarin hij zingt lijkt daarvoor veel te groot geworden. De holle kreet ligt tegenwoordig werkelijk iedereen, van links tot rechts, in de mond bestorven.

Nu begrijp ik natuurlijk wel dat al die mensen die vinden dat onze kinderen hun dromen moeten kunnen najagen, niet echt bedoelen wat ze zeggen. Wat ze eigenlijk bedoelen te zeggen is, dat ‘onze kinderen moeten kúnnen worden, wat ze wíllen worden’. Kijk maar hoe Asscher het onder woorden brengt: ‘Aan dromen geen gebrek. (…) Wat me opvalt, is dat kinderen overal dezelfde toekomstverlangens hebben. De een wil brandweerman worden, de ander huisarts of dierenarts en weer een ander wil in de ouderenzorg werken. Maar uiteindelijk gaat het om gewone dingen als een goede opleiding, een leuke baan en een prettig huis om te wonen. Het probleem is helaas dat niet alle kinderen de kansen krijgen om die dromen waar te maken. Dat heeft alles te maken met de ongelijkheid in de samenleving.’

Het lijkt er dus op dat Asscher doorheeft dat het bij dat rare moderne dromengepraat helemaal niet om dromen gaat, maar om niet meer dat gerechtvaardigde verlangens. Maar zodra hij aandacht gaat besteden aan kinderen in achterstandssituaties, vervalt hij pardoes weer in de verhullende Newspeak. Als we Asschers inventarisatie op basisscholen nader beschouwen valt overigens op dat er in de recente geschiedenis niet zoveel aan de wensen van de kinderen veranderd is. In mijn lagere schooltijd, in de jaren vijftig, stond ‘brandweerman’ ook al hoog genoteerd. Huisarts en dierenarts kwamen in mijn hoofd en dat van mijn klasgenoten op de Marnixschool aan de Boergoensevliet in Rotterdam-Charlois echt niet op. De ouderenzorg werd in die tijd nog gewoon door het nageslacht verzorgd. Dat was niet ideaal, maar is desondanks de laatste jaren weer door Den Haag tot ideaal verheven.

Tegemoetkomen aan gerechtvaardigde wensen is er in de laatste decennia niet gemakkelijker op geworden. Sinds mijn jeugd nam het tempo van de maatschappelijk veranderingen zo snel toe dat het beroep, dat kinderen nu voor ogen staat, morgen misschien niet eens meer bestaat. Daar komt nog bij dat wij de beroepen, die als zij straks volwassen zijn de toon aangeven, vandaag nog niet eens kúnnen dromen. Dus waarop moeten wij hen voorbereiden? Het eerlijkst zou zijn dat we tegen de kinderen zeggen, dat wij het ook niet weten. Maar houd in ieder geval onmiddellijk op met het wekken van de suggestie, dat er vandaag de dag een Nederlandse droom bestaat, die ook maar enigszins op de oude teloor gegane Amerikaanse droom lijkt. Hoe harder we roepen dat onze kinderen hun dromen moeten kunnen najagen, hoe minder ervan terecht komt.

Aan Asscher wordt in het interview in het PvdA-ledenmagazine Rood (dec 2018, 14-15) gevraagd waarom hij zich zo specifiek op de kinderen richt. Zijn ongelijkheid en armoede geen algemeen maatschappelijke problemen? Asscher wijst erop dat die problemen de kinderen het eerst en het hardst raken. Hij wijst erop dat het onderwijs zijn emanciperende rol is kwijtgeraakt. Hij is ervan overtuigd dat dat niet aan de leraren ligt en dat hogere salarissen nodig zijn om ervoor te zorgen dat we morgen nog over voldoende deskundige en bevlogen leraren kunnen beschikken. Als het om het probleem gaat dat de kinderen aan verschillende zijden van de groeiende kloof elkaar niet meer in schoolverband tegenkomen, heeft hij het wel over de funeste uitwerking van Artikel 13 van de Grondwet, maar verzuimt hij te zeggen dat hij er iets aan wil doen. Wil hij dat eigenlijke wel?

Bijna alle maatregelen die Asscher wel voorstelt, inclusief zijn stug doorgaan met het aanprijzen van een volstrekt tekortschietend onderwijsachterstandsbeleid, komen uit een versleten oude doos. Zo kunnen we niet blijven doordromen. Wie iets wil snappen van het arbeidsperspectief van onze kinderen moet onmiddellijk de reportage lezen van Jeroen Bergeijk in de Volkskrant van 29 december onder de titel ‘Binnen bij Bol’. Hij werkte vijf weken bij het distributiecentrum van internetwinkelier Bol.com in Waalwijk. Een grondige analyse van die niet te verzinnen realiteit zou een eerste stap kunnen zijn in het redden van een wereld waarin gerechtvaardigde wensen weer in vervulling kunnen gaan. Voor een ex-minister van Sociale Zaken levert het schokkende relaas hoe dan ook genoeg stof tot nadenken in de sfeer van ‘Wat heb ik gedaan en waar heb ik het af laten weten?’

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *