Bij een college over kindertekeningen leg ik om de gedachten te bepalen mijn studenten eerst altijd een kleine verzameling kindertekeningen voor en vraag hen die op leeftijd te rangschikken. Dat gaat hen over het algemeen goed af.
Zonder al te veel moeite weten ze de tekening van twee- tot zevenjarigen in de juiste volgorde te leggen. Ze vinden het bovendien niet moeilijk om in die volgorde een vorm van psychologische ontwikkeling te ontwaren; een ontwikkeling die zich gemakkelijk laat koppelen aan andere domeinen: de motorische en cognitieve ontwikkeling, maar ook aan de intra- en interpersoonlijke ontwikkeling. Zoals kinderen op allerlei gebieden gaandeweg meer kunnen, vaardiger worden, laten ze dat in hun tekeningen eveneens zien, waarmee je hun tekeningen zou kunnen opvatten als een zichtbare manifestatie van de kinderlijke ontwikkeling.
Mijn studenten zijn (gelukkig) in staat daar iets van te herkennen, zonder dat ze daar overigens ooit les in hebben gehad, want afgezien van de obligate kindertekeningen op omslagen van een ontwikkelingspsychologisch studieboek, komen ze er zelden mee in aanraking. Maar kennelijk spreken de kindertekeningen voor zichzelf.
Lastiger wordt het als ik ze tekeningen voorleg van kinderen die op de basis-en middelbare school zijn blijven tekenen en goed tekenonderwijs hebben gehad (ja, dat komt voor, al is het zeldzaam). Deze kinderen krijgen bijvoorbeeld iets van het gebruik van perspectief en van realistisch tekenen onder de knie en begrijpen steeds beter hoe je een goed gelijkend (zelf)portret tekent.
Opvallend vaak beginnen mijn studenten de leeftijd van de makers ervan echter te overschatten, of ze menen zelfs dat ze met min of meer professionele tekenaars te maken hebben. Wie goed kan tekenen, moet het wel ergens geleerd hebben, denken ze, maar waar?
Als ik ze vraag of ze zelf in staat zijn om een vergelijkbare – realistische –
tekening te maken, antwoorden ze bijna allemaal ontkennend. Ze zijn als het gaat om hun tekenvaardigheid het niveau van een zevenjarige niet ontgroeid, waarbij de laatste ook nog eens minder moeite heeft om zijn of haar fantasie de vrije loop te laten.
Bij wat doorvragen wordt al snel duidelijk dat de meeste studenten na hun kinderjaren niet of zelden nog hebben getekend, een enkeling daargelaten. Dankzij het geluk van een goede tekendocent of omdat de student een artistieke belangstelling heeft. Dat lijkt dan vaak een afdoende verklaring: (zelf) tekenen is iets kunstzinnigs en als zodanig voorbehouden aan een handjevol artistiekelingen. Je moet er het talent voor hebben, anders heeft het geen zin.
Voor veel ouders, onderwijzers en andere opvoeders kent de tekenontwikkeling niet zo veel geheimen. De meeste jonge kinderen tekenen veel en graag. Daarbij worden ze er door hun omgeving vaak toe aangemoedigd, al was het maar om even geen last van ze te hebben. In restaurants waar veel ouders met kinderen komen eten, worden de laatsten niet zelden van een kleurplaat (eigenlijk een doodzonde voor ons geloof in het ‘vrije’ tekenen) en potloden voorzien, wat op zijn minst soelaas zou moeten bieden totdat het hoofdgerecht op tafel komt.
Kinderen oogsten – al dan niet geveinsde – waardering voor hun tekeningen. Ze worden ruimhartig cadeau gedaan bij allerlei feestelijkheden als verjaardagen en Vaderdag, of als troost bij ziekte of ander ongemak. Sommige ouders vinden ze zo aardig dat ze de tekeningen van hun kroost in huis ophangen, soms zelfs ingelijst als ware het een heus kunstwerk.
En zo zitten we met de vreemde situatie dat een van de meest in het oog springende ontwikkelingsvaardigheden van kinderen, na een aanvankelijk snelle progressie, een stille dood sterft. De tekeningen van basisschoolkinderen –
vanaf groep vier of hoger – zijn (relatief) veel onbeholpener dan die van jonge kinderen. Bovendien laat onderzoek zien dat de tekeningen van 11- en 12-jarigen gaandeweg in de twintigste- en eenentwintigste eeuw ook nog eens in kwaliteit zijn afgenomen. Kinderen vandaag de dag tekenen schematischer en minder gedetailleerd vergeleken met kinderen zo’n vijftig jaar geleden. Saaier, zou je ook kunnen zeggen.
Is dat erg, vraagt u zich misschien af. Nee, vinden sommigen. Tijden veranderen en daarmee ook de kindertekeningen, zoals in het schrijfonderwijs de kroontjespen werd verdreven door de balpen, en die weer door het toetsenbord, waarmee het schrijven als vaardigheid ingrijpend is veranderd. Voor een mooi handschrift moet je tegenwoordig bij de generatie grootouders te rade gaan.
Ja, vinden anderen. Tekenen is voor jonge kinderen een belangrijke uitdrukkingsvaardigheid en het is zonde om die teloor te laten gaan. Bovendien ondersteunt het (leren) tekenen andere vaardigheden, zoals de ontwikkeling van de fijne motoriek (die trouwens vergeleken met vijftig jaar geleden ook slechter wordt), de perceptuele ontwikkeling (leren tekenen, is leren kijken), maar ook die van de verbeelding en fantasie. Daarbij is tekenen voor veel kinderen een bron van plezier in zichzelf. Het biedt het genoegen zelf iets te maken en voorziet wat dat betreft in een fundamentele menselijke behoefte. Je zou er een leven lang de vruchten van kunnen plukken.
Waarom stokt de tekenontwikkeling, is dan een logische vervolgvraag, en waarom kan ons – ouders, onderwijzers, maar ook ontwikkelingspsychologen en pedagogen – dat zo weinig schelen? Waarom maken we ons wel (en terecht) druk als de reken- en taalvaardigheid afneemt? Waarom nemen we de gymdocent serieus wanneer die constateert dat de motorische vaardigheid van veel kinderen belabberd is? Maar wie maakt zich sterk voor het tekenonderwijs?
Opmerkelijk genoeg hoefde je ontwikkelingspsychologen aan het begin van de twintigste eeuw niet te overtuigen van het belang van kindertekeningen. Grote namen als Wilhem Stern, Karl Bühler, Jean Piaget, Heinz Werner en vele anderen schreven uitvoerig over kindertekeningen; het belang ervan en de betekenis voor de kinderlijke ontwikkeling. De meeste handboeken en inleidingen uit die tijd besteedden dan ook ruim aandacht aan de kinderlijke expressie via hun tekeningen.
Ontwikkelingspsychologen deelden hun belangstelling met de grote kunstenaars als Kandinsky, Picasso, Klee of Duchamp, uit het begin van de twintigste eeuw, die aan de wieg stonden van het modernisme en abstractionisme. Zij voelden zich geïnspireerd door kindertekeningen, legden verzamelingen aan of streefden de spontaniteit ervan na in hun eigen werk.
Een perfect uitgangspunt voor een grote waardering van en aanmoediging tot verdere bestudering van kindertekeningen zou je denken, waarbij ontwikkelingspsychologen en kunstenaar de handen ineen konden slaan, maar juist in de associatie van de kindertekening met (moderne) kunst gaat er iets fout. Daarover een volgende keer.




