En daar is Artikel 23 weer

 

‘Dit rapport laat wel echt met concrete voorbeelden zien dat dit gebeurt in Nederland: Kinderen die veertien uur per week les krijgen over heel onvrije denkbeelden. Dat moet echt stoppen.’ Aan het woord is VVD-kamerlid Bente Becker. Zij reageert op (On)zichtbare invloed het verslag van de Commissie parlementaire ondervraging ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen. Daarin wordt vastgesteld dat er inderdaad sprake is van ongewenste buitenlandse beïnvloeding van Nederlandse moskeeën, dat die beïnvloeding via bestuurders, predikers, onderwijs en social media loopt en dat de overheid geen zicht heeft op de omvang van de geldstromen en op de invloed die ervan uitgaat.  

De discussie over Artikel 23

Niets nieuws natuurlijk. Deze ongemakkelijke waarheid was twee jaar geleden al door het NPO1 televisieprogramma Nieuwsuur en NRC-Handelsblad geopenbaard. Daarom is het zo teleurstellend dat de commissie nauwelijks dieper gegraven heeft en de belangrijke aan haar gestelde vraag ‘Welke effectieve maatregelen kan Nederland ondernemen om deze invloed te doorbreken?’ onbeantwoord heeft gelaten. De commissie heeft zich ertoe beperkt de door de veertien door haar ondervraagde personen gedane suggesties te rubriceren. Dat de commissie in de discussie over de aanbevelingen niet tot en eensluidend advies kon komen, is niet onverwacht, het hing zelfs in de lucht. Dergelijke parlementaire commissies worden politiek breed samengesteld. Uit onvrede over het uitblijven van aanbevelingen was PVV-kamerlid Edgar Mulder eind mei al uit de commissie gestapt. Maar de grootste politieke barrière om tot een effectieve aanpak te komen is de nog altijd ontbrekende meerderheid om de vrijheid van onderwijs, zoals we die in Nederland al meer dan honderd jaar kennen, serieus ter discussie te stellen. De partijen die de laatste jaren artikel 23 van de grondwet met de grootste verbetenheid verdedigden, de ChristenUnie en Denk, waren de partijen die hun partijleiders naar de commissie afvaardigeden. Gert-Jan Segers heeft er nauwelijks moeite voor hoeven doen om bij de coalitiebesprekingen deze kabinetsperiode opnieuw van die fundamentele discussie te vrijwaren. Van de VVD waren we al jaren gewend dat ze wat dat betreft geen principiële standpunten meer heeft, maar ook D66 hoor je er sinds de alweer bijna vergeten Alexander Pechtold in 2006 de strijd om het partijleiderschap van Louisewies van der Laan won, er nooit meer over. Hoe lamleggend het huidige artikel 23 vandaag de dag is valt te zien in de verhoren van de commissie van vooral vertegenwoordigers uit islamitische kring, die met een beroep op de scheiding tussen kerk en staat zelfs weigeren vragen van de commissie te beantwoorden.

Het is overigens onjuist om te stellen dat er helemaal niet aan Artikel 23 is gesleuteld. Vanaf 21 juni 2021 worden de regels van kracht die horen bij de vorige maand ook in de Eerste Kamer aangenomen ‘Wet meer ruimte voor nieuwe scholen’ . Dan kan iedereen een nieuwe basis- of middelbare school oprichten, op voorwaarde dat daar voldoende belangstelling voor is. Dan is het niet langer vereist dat een nieuwe school een ‘erkende’ religie of levensbeschouwelijke richting als grondslag heeft. Het gaat daarbij dus om een verruiming van de mogelijkheid om scholen te stichten en allesbehalve om een beperking van de mogelijkheid tot het oprichten van scholen op religieuze grondslag. Die mogelijkheid blijft onverkort bestaan en daar was het CU-onderwijsminister Arie Slob natuurlijk ook om te doen. Zijn voorganger in het vorige kabinet, de toenmalige VVD-staatssecretaris Sander Dekker, had in zijn voorbereiding van de wet nog wel aanstalten gemaakt om aan de achterhaalde grondslag van de vrijheid van onderwijs te tornen. In 2015 had hij het nog een archaïsch principe genoemd. Ook heeft hij meer dan eens pogingen gedaan om in de ogen van de Onderwijsinspectie slecht functionerende islamitische scholen gesloten te krijgen. Het is hem allemaal niet gelukt. Slob verloochent zijn politieke achtergrond niet. Hij noemt de onderwijsvrijheid een van de belangrijkste verworvenheden van onze parlementaire democratie. Ouders kunnen zelf kiezen aan welke school ze hun kinderen toevertrouwen. Hij denkt met de nieuwe wet zowel die grondwettelijke vrijheid te beschermen als het onderwijs toekomstbestendig te maken. Onder het regiem van de nieuwe wet toetst de Inspectie de nieuwe school wel vóóraf in plaats van achteraf aan verschillende voorwaarden, zoals de inrichting van de onderwijstijd, de inhoud van het onderwijs en de invulling van de wettelijke burgerschapsopdracht. De Tweede Kamer had tijdens haar behandeling van het wetsvoorstel nog wel een belangrijke aanpassing afgedwongen. Scholen moeten laten zien op welke manier ze bijdragen aan de bestrijding van segregatie. Die aanpassing spreekt boekdelen. Het is een ruiterlijke erkenning van het gegeven dat de nieuwe wet zelf de segregatie niet bestrijdt, maar juist bevordert.

Burgerschapsonderwijs

Drie jaar geleden heb ik de ontwikkeling rond het burgerschapsonderwijs, met bijzondere aandacht voor de relatie met de hang naar ‘nationale identiteit, op een rij gezet (Levering, 2017). Begin dat jaar hadden onderwijsminister Bussemaker en staatssecretaris Dekker een brief naar de Tweede Kamer gezonden over ‘Versterking van het burgerschapsonderwijs’ en daarin lieten ze over de urgentie geen enkel misverstand bestaan. Ze verwezen in zeer directe termen naar de verharding van het maatschappelijke debat in de jaren ervoor, waarin verschillende visies op de samenleving botsten. Ze wezen op de sociale media die bevestiging gaven van het eigen gelijk of onrust met nepnieuws voedden en te vaak een uitlaatklep voor woedende commentaren vormden. Ze benoemden de groeiende tweedeling die niet zelden in éénzelfde schoolklas zichtbaar was. Ook de terreuraanslagen in het buitenland lieten ze in dit verband niet onvermeld. Dat kinderen leren om op een behoorlijke manier het gesprek aan te gaan, leek hun urgenter dan ooit. Het ging de bewindslieden overigens altijd al om meer dan om kennis van de grondwet en het politieke stelsel. Dekker heeft de behandeling van zijn wetsvoorstel nooit kunnen afronden. Begin dit jaar presenteerde minister Slob een nieuw wetsontwerp. Toen Slob een jaar geleden zijn voornemen tot wetgeving aankondigde, bleek de discussie al weer helemaal verpolitiekt te zijn. Onderwijsminister Van Engelshoven had zich er openlijk over uitgesproken dat wat haar betreft de Canon van Nederland wel wat diverser mocht. Dat was olie op het vuur geweest.

Dat de scholenkoepels vinden dat de overheid zich teveel met de inhoud van het onderwijs bemoeit is natuurlijk allesbehalve onverwacht. Volgens Bert Kamphuis, voorzitter van Verus, dat 4000 scholen in het protestant-christelijk en rooms-katholieke onderwijs vertegenwoordigt, loop je zo het risico dat burgerschapsonderwijs een vorm van dressuur wordt. Maar heeft Kamphuis gelijk als hij zegt dat dat Slob een soort catalogus heeft gemaakt van alles wat wij onder goed gedrag verstaan? In Slobs wetsontwerp staat dat scholen ‘actief burgerschap’ en ‘sociale cohesie’ moeten bevorderen door leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. In de toelichting noemt hij vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit, tolerantie en verantwoordelijkheid als de verplichte kern van het burgerschapsonderwijs. Maar het gaat Slob inderdaad niet alleen om democratie en politiek, maar ook om de sociale omgang tussen mensen buiten de sfeer van de overheid. In dat verband noemt hij waarden als waarheidsgetrouwheid, sympathie, respect voor de mening van anderen, flexibiliteit en verantwoordelijkheidszin. Slob doet dat onder verwijzing naar het WRR-Rapport Waarden, normen en de last van gedrag dat in 2003 werd opgemaakt op verzoek van de toenmalige minister-president Balkenende, die toen ook al worstelde met de problemen van de multiculturele samenleving. Kamphuis vindt het allemaal te braaf. Hans Teegelbeckers, directeur van VOS/ABB komt weer met de bekende riedel namens het openbaar onderwijs dat een van de belangrijkste democratische waarden ‘gelijkheid’ door de bijzondere scholen nog steeds niet gehonoreerd wordt. Bijzondere scholen mogen dankzij Artikel 23 nog altijd leerlingen weigeren en doen dat ook.

De kamerdiscussie over (On)zichtbare invloed zal geen aanbevelingen voor effectieve maatregelen opleveren

Terug naar (On)zichtbare invloed, het verslag van de Commissie parlementaire ondervraging ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen. Naar nu blijkt ontbreken niet alleen de aanbevelingen, maar is er heel veel van wat in wel de in de wandelgangen van de verhoren is gezegd niet in de verhoren boven tafel gehaald en dus ook niet in het verslag terug te vinden. Het lijkt erop dat de commissie op eieren gelopen heeft. Het zou allemaal wel iets te maken kunnen hebben met het feit dat juist eind vorig jaar bleek dat de Inspectie in haar maatregelen tegen het Cornelius Haga Lyceum naar aanleiding van een AIVD-bericht over ondemocratisch onderwijs, buiten haar boekje was gegaan.  Is het allemaal voorzichtigheid troef? Eind februari is de Inspectie nog met een rapport gekomen over Burgerschap en het omgaan met verschil in morele opvattingen. Bij het onderzoek is er vooral op gelet of de invulling die scholen aan deze onderwerpen geven, past binnen de grenzen van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Er zijn vrijwel geen situaties aangetroffen die in strijd zijn met basiswaarden en ook het lesmateriaal is niet in strijd met de basiswaarden. Bij de invulling van het onderwijs handelen scholen binnen wettelijke grenzen. Maar tegelijkertijd zorgt een deel van de scholen er onvoldoende voor dat de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en het afwijzen van discriminatie, actief worden bevorderd. Het is voor de Inspectie ook niet zo eenvoudig om ervoor te zorgen dat scholen dat wél doen.

Er is wat mij betreft wel degelijk een manier waarop scholen effectiever ter verantwoording kunnen worden geroepen. Als je het uitgangspunt van Artikel 23 wilt honoreren dat eeuwenoude religieuze teksten als Bijbel en Koran als inspiratie voor het huidige Nederlandse onderwijs kunnen en mogen dienen, mag de vraag gesteld worden welke bijdrage die teksten leveren aan het ingroeien in de 21ste eeuwse multiculturele samenleving. Die vraag kan door de Inspectie zo aan alle reeds toegelaten instellingen met die grondslagen worden voorgelegd. Van de behandeling in de Tweede Kamer van het rapport (On)zichtbare invloed gaat verwacht ik werkelijk helemaal niets. Dat debat zal gesmoord worden in de niet aflatende weigering om Artikel 23 van de Grondwet fundamenteel ter discussie te stellen. En als het om de inzet om tot serieus Burgerschapsonderwijs te nemen gaat, heb ik hoe dan ook de neiging om de Kamer volstrekt niet meer serieus te nemen. In de plenaire behandeling van ‘Voortgang Burgerschapsagenda 2017-2021 in het Voortgezet Speciaal Onderwijs’ werd op 4 juni j.l. de motie Kuik-Smals (CDA-VVD) met algemene stemmen aangenomen (alle 145 aanwezige kamerleden stemden voor). Daarin werd de regering verzocht om samen met de maatschappelijke partners binnen het mbo te onderzoeken wat een reële richtlijn is om effectief burgerschapsonderwijs vorm te geven, en daarbij expliciet te maken welke inzet de mbo-instelling minimaal moet leveren om effectief burgerschapsonderwijs te geven. Dat daar op deze manier helemaal niets van terecht komt weet men of hoort men te weten.

Levering, B. (2017). Burgerschapsvorming en nationale identiteit. Liber Amicorum Micha de Winter, Pedagogiek. Vol 37, nr. 2, 131-142.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *