Kant over slavernij en over opvoeding

 

Pauline Kleinknecht onthult in het programma Avro-Tros Radioprogranmma Dr. Kelder en Co van 20 juni uit dat Immanuel Kant een duistere kant heeft. We eren hem omdat hij onderbouwd heeft dat het bij slavernij om iets moreel verwerpelijks gaat, maar naar nu blijkt heeft de achttiende eeuwse filosoof niet altijd zo gedacht. Kant mag dan de geschiedenis zijn ingegaan als de grote criticus van kolonialisme, dat neemt niet weg dat hij heeft veel langer dan men tot nu toe dacht zeer beslist en met trots een rassentheorie verdedigd heeft. Daarmee rijzen er volgens Kleinknecht allerlei filosofische vragen, zoals ‘Hoe verhouden die uitspraken zich tot Kants gevierde universalistische ethiek?’ ‘Is Kant ronduit inconsistent en verkondigt hij alleen maar algemene principes die slechts van toepassing zijn op witte mannen?’ Kant hanteerde een indeling in vier rassen en stond zich erop voor als eerste een bruikbare definitie van ras gegeven te hebben. Kleinknecht vindt dat je Kant niet mag laten wegkomen met de redenering dat hij een kind van zijn tijd was, omdat er in Kants tijd nu juist op dat gebied nog wel wat anders te koop was. Het is zelfs zo dat Kant zich in zijn geschriften over ras schuldig maakte aan selectief gebruik van bronnen. Hij had echt beter kunnen en moeten weten, aldus Kleinknecht.

Als Kleinknecht gevraagd wordt om een finaal oordeel over Kant te geven begint ze flink te hakkelen, maar ze heeft er wel één. Ze vindt het niet alleen opvallend dat iemand die het aan de ene kant heeft over de menselijke waardigheid, aan de andere kant verdedigt dat niet-witten door witten als slaaf mogen worden gebruikt, ze vindt het ronduit vreselijk. Met de latere bijstelling van zijn visie maakt hij het wat Kleinknecht betreft niet goed, want op andere gebieden heeft hij die correctie uitdrukkelijk niet gemaakt. Aan Kants aanvankelijke hiërarchische rassentheorie hangt bijvoorbeeld ook een opvatting over de verhouding tussen mannen en vrouwen. In zijn visie hadden de witten alle talenten en de andere rassen successievelijk een aantal talenten minder. Zo zijn man en vrouw in principe gelijk, maar als je ziet hoe hij vrouwen vervolgens beschrijft, blijkt het te gaan om gevoelswezens, die niet in staat zijn om te handelen op basis van principes. Kants ideeën over de superioriteit van mannen leiden tot de opvatting dat vrouwen geen burgerrechten horen te hebben. De interesse van Kleinknecht, hoogleraar ethiek en haar geschiedenis, reikt hier verder dan de historische reconstructie van Kants ideeën over ethiek. Die betreft een fundamentele kritische beschouwing van de universele pretenties van de ethiek van Kant.

Onlangs is in de Kennisbank Pedagogiek Digitaal als gratis item de Engelse vertaling van Kants Über Pädagogik uit 1803 opgenomen. Het is van belang te beseffen dat deze ideeën over opvoeding uit zijn colleges uit 1776 en 1777 en daarmee uit zijn voor-kritische periode stammen. Kants Grundlegung zur Metaphysik der Sitten, waarin hij zijn categorische imperatief formuleert en onderbouwt, dateert uit 1785. Über Pädagogik had eigenlijk veel beter Über Erziehung (Over opvoeding) kunnen heten. De Engelse vertaling van de titel als On Education komt wat dat betreft dichterbij. In het boek vinden we een bonte mengeling van verrassend moderne en schrikbarend ouderwetse ideeën over opvoeding. Het ging Kant in de opvoeding om het scheppen van moraliteit, een uiterst precaire onderneming vond hij. Hij was al wel tegen het in zijn tijd nog gebruikelijk breken van de wil, maar de ouder moest wat hem betreft consequent zijn en zich zeker niet laten dwingen door een huilend kind. In de opvoeding moest de nadruk liggen op karaktervorming en waarachtigheid. Het ging erom dat kinderen hun hartstochten leerden bedwingen. De lichamelijke en de emotionele opvoeding moesten streng zijn. Kant was verklaard tegenstander van het teveel knuffelen van jonge kinderen. Zijn pedagogiek was, in navolging van die van Rousseau, zeker kindgericht. Hij maakte nadrukkelijk een onderscheid tussen leeftijden en leeftijdsfasen, maar over individuele verschillen sprak hij niet.

Kants praktische pedagogische aanwijzingen zijn voornamelijk uit historisch oogpunt interessant. Hij is inderdaad een kind van zijn tijd. Het lijkt erop dat Kant dat zelf ook heel goed besefte. Hij heeft Über Pädagogik na die eerste keer in 1803 niet zelf meer uitgegeven, waarschijnlijk omdat hij toen al echt van pedagogische gedachten veranderd was. Als het om Kants betekenis voor de huidige pedagogiek gaat kunnen we veel beter bij zijn ethische geschriften terecht dan bij Über Pädagogik. Het ging Kant om een onbeperkt gebruik van de rede. Hij realiseerde zich maar al te goed nog niet in een verlichte tijd te leven, maar wel in en tijd van verlichting, waarin de mondige mens daadwerkelijk de kans zou krijgen zich te ontwikkelen. Als hij uitlegt wat Verlichting is wijst hij op de paradox dat als je mensen en kinderen in vrijheid wil leren handelen, je vrijheid moet schenken. Dat wat we vandaag de dag als Kants pedagogiek beschouwen is echt een consequentie van zijn ethiek met de categorisch imperatief als basis. Daarin handelen we niet uit angst voor straf of uit hoop op beloning, maar op grond van aan onszelf op redelijke gronden opgelegde plicht.

In tegenstelling tot Kleinknecht heb ik er geen enkele moeite me om de Kant van Über Pädagogik als kind van zijn tijd te zien, zonder hem daarvoor ter verantwoording te roepen. Uit dankbaarheid voor het pedagogisch belang van zijn latere ideeën over mondigheid en autonomie, zij hem dat meer dan vergeven.

(Na publicatie van dit blog publiceerde ook NRC-Handelsblad over Kant en de slavernij, met verwijzing naar het debat in Duitsland: https://www.nrc.nl/nieuws/2020/06/24/alsnog-debatteert-duitsland-over-het-racisme-van-filosoof-kant-a4003971 )

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *