Het kinderpardon, vervolg

Een dag voordat ik op 30 oktober mijn blog over het kinderpardon publiceerde, bleek Martin Sommer in de Volkskrant net dit idee te hebben afgeserveerd. Sommer zette het eenvoudig weg als ‘sentimenteel links idee’, daarmee onder meer voorbijgaand aan de wens van de overgrote meerderheid van de burgemeesters. ‘Het belang van het kind’ zou niet mogen leiden tot een verblijfsvergunning, want ‘daar is geen argument tegen opgewassen.’ Kennelijk heeft het belang van het kind zoveel kracht dat we het maar niet serieus moeten nemen. Zijn enige tegenargument betreft de mogelijke gevolgen: de veronderstelde aanzuigende werking van een kinderpardon. Niet alleen ontbreekt daarvoor echter bewijs, het is überhaupt in z’n simpele eenzijdigheid een hoogst dubieus argument. Als beleid alleen gerechtvaardigd zou hoeven te worden door de mogelijke gewenste of ongewenste gevolgen, waarom zouden we dan bijvoorbeeld in onze reactie op criminaliteit behalve de (jeugdige) delinquenten niet ook hun familieleden straffen? Waarom heeft dan iedere verdachte recht op een advocaat en waarom kunnen verdachten dan bijvoorbeeld wraking van een rechter verzoeken?
Waar het in een rechtstaat steeds om gaat dat is precies de balans tussen (oog voor) gevolgen en (oog voor) principes. In onze nationale wetgeving hebben talloze principes hun beslag gekregen in rechten die meestal niet de meest handige gevolgen voor beleidsmakers opleveren. Die principes kunnen voor een belangrijk deel worden geschaard onder de noemer ‘rechtsbescherming.’ Bovendien zijn allerlei fundamentele principes vastgelegd in mensenrechtenverdragen. Zo is Nederland medeondertekenaar van het Kinderrechtenverdrag. Zelfverklaarde ‘politieke realisten’ als Sommer hebben daar meestal geen boodschap aan, maar in een moderne rechtsstaat als Nederland spelen de beginselen die in dergelijke verdragen zijn vastgelegd wel degelijk een rol, zowel in beleid en wetgeving als in de rechtspraak.
Zo heeft ons land zich onder meer gecommitteerd aan het belangrijkste beginsel van het Kinderrechtenverdrag, dat eist dat het belang van het kind een eerste overweging vormt bij alle besluiten die dit belang kunnen raken. Het is goed om ons te realiseren dat dit beginsel bijvoorbeeld in ons jeugdstrafrecht – in tegenstelling tot grote delen van de wereld – al een eeuw lang algemeen in wetgeving en rechtspraak is geaccepteerd en vooral de laatste halve eeuw steeds helderder is uitgekristalliseerd. Vandaar mijn stelling dat het hoog tijd wordt dit beginsel ook in ons vreemdelingenrecht algemeen te erkennen. Dat betekent allerminst dat we blind zouden moeten zijn voor mogelijke complexe gevolgen, maar wel dat consciëntieus rekening word gehouden met het belang van het kind.
Dat vereist om te beginnen, zoals kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer terecht verlangt, dat de betrokken kinderen, net als bij jeugdstrafrecht- en kinderbeschermingsprocedures, zelf worden gehoord. In dat opzicht vereist het Kinderpardon dan ook een heel andere, kindvriendelijker uitvoering.
Ik kom echter terug op mijn eerdere instemming met haar voorstel om het onderzoek naar asielkinderen te laten uitvoeren door de Raad voor de kinderbescherming. Dat is geen taak van de Raad en behoort dat ook niet te worden. De Raad dient te onderzoeken of het kind mogelijk schade ondervindt in de opvoeding en verzorging door de ouders. Dat is heel iets anders dan de vraag of een kind beter af is in Nederland dan in het land van herkomst (van de ouders). Nederland is verplicht die vraag bij elk afzonderlijk geval serieus onder ogen te zien en de beoordeling daarvan te betrekken in de afwegingen omtrent wel of niet verstrekken van een verblijfsvergunning. Maar het is onjuist en onwenselijk de Raad met die voor haar wezensvreemde beoordeling op te zadelen.

Een gedachte over “Het kinderpardon, vervolg

  1. Geachte heer Weijers,

    Ik zou graag mijn reactie willen beginnen met de woorden: ‘hear, hear’. De column van Sommer had ik ook opgemerkt en deze deed mij de haren ten berge rijzen. Ik kan me helemaal vinden in uw reactie op zijn standpunt. Dank daarvoor!

    Toch wil ik ook even reageren op het laatste onderdeel van uw betoog waarin u aangeeft dat u terugkomt op uw eerdere instemming met het voorstel van Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer om het onderzoek naar het belang van het kind in het vreemdelingenrecht te laten uitvoeren door de Raad voor de Kinderbescherming. Uw veronderstelling dat een dergelijk onderzoek (enkel) de vraag behelst of het kind beter af is in Nederland dan in het land van herkomst, en dat deze vraag niet thuis hoort bij de Raad, is te kort door de bocht. Een gevolgtrekking uit een “Best Interests of the Child assessment”, zoals bedoeld door Kalverboer, kan inderdaad zijn dat het beter is voor het kind om in Nederland te blijven dan in het land van herkomst (en ook vice versa). In een dergelijk onderzoek, waarin de huidige en toekomstige opvoedomgeving in kaart wordt gebracht, wordt o.a. vastgesteld of de opvoedomgeving van het kind ‘veilig’ is (bij verblijf in Nederland en bij terugkeer naar het land van herkomst). Het is de vraag of de ouders de veiligheid en ontwikkeling van het kind in het land van herkomst kunnen waarborgen en kunnen voorkomen dat er schade onstaat in de ontwikkeling van het kind. Ik denk dat de Raad wel degelijk dit onderzoek op zich kan nemen, zoals zij dat ook doet in het jeugd(straf)recht. Het gaat in het vreemdelingenrecht evenals in het jeugd(straf)recht om kwetsbare kinderen die ontwikkelingsschade kunnen oplopen in hun opvoedingsomgeving. Het doet er volgens mij niet toe of die schade direct veroorzaakt wordt door het (opvoed)gedrag van ouders. In het jeugdstrafrecht hoeft de schade die het kind kan oplopen niets te maken te hebben met de directe opvoeding en verzorging van ouders. Desalniettemin kan de Raad ook in die gevallen een onderzoek instellen. Overigens geeft de Raad zelf aan dat ze zich in wil zetten voor de bescherming van migrantenkinderen: https://www.kinderbescherming.nl/themas/vluchtelingen-jonger-dan-18-jaar.
    Tot slot wil ik u nog graag even wijzen op een annotatie van Kalverboer en ondergetekende die raakt aan deze discussie. Deze annotatie is geschreven bij een jeugdrechtelijke zaak met vreemdelingenrechtelijke implicaties, waarbij de Raad een ‘belang van het kind’-onderzoek heeft gedaan: http://www.rug.nl/research/study-centre-for-children-migration-and-law/publications/noot_vreemdelingenrecht_vs._jeugdrecht.pdf.

    Met vriendelijke groeten,

    Daan Beltman

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *