Ouders van nu en hun studerende kinderen

 

25 jaar geleden gaf ik een college op de ouderdag van de Utrechtse Faculteit Sociale Wetenschappen  in Utrecht over wat er de dertig jaren daarvoor in het universitaire onderwijs veranderd was. Die ouderdag zelf was onmiskenbaar een verschijnsel dat halverwege de jaren zestig nog niet bestond,  omdat zoiets in die tijd eenvoudigweg onbestaanbaar was. Mijn analyse paste in het algemene verhaal over de veranderingen in de verhouding tussen ouders en kinderen na WOII. Sinds de jaren zeventig kunnen ouders en kinderen in het algemeen gesproken goed met elkaar overweg. In het decennium ervoor werd het generatieconflict uitgevochten. Mijn generatie had er niet aan moeten denken de ouders de universiteit in te halen. In die jaren ging je, als je naar de universiteit ging, het huis uit en vanaf dat moment zorgde je voor jezelf.

De analyse die ik op die ouderdag in 1994 presenteerde had iets ongepasts. Aan genode gasten vragen ‘Wat komt u hier eigenlijk doen?’ is ronduit onbehoorlijk. De nieuwe verhoudingen tussen ouders en kinderen waren allesbehalve nieuw. Op de studentencorpora werden altijd al vaderdagen georganiseerd. Bemiddelde ouders bleven hun kinderen ook als de studie heel lang duurde onderhouden. Zelfs als de studie niet werd afgerond was er voor hun kinderen nog wel ergens in hun old boys-netwerk een baan beschikbaar. Als docent heb ik altijd geweigerd om een ouder over de vorderingen van zijn of haar kind te woord te staan. In het hoger onderwijs horen we wat mij betreft studenten als zelfverantwoordelijke volwassenen te behandelen. Voor hen moeten docenten vanzelfsprekend goed bereikbaar zijn, maar de termijn waarbinnen e-mails van studenten tegenwoordig beantwoord moeten zijn doet terugverlangen naar de tijd voordat het communicatiemiddel beschikbaar was.

Voor de infantilisering van de universitaire student zijn natuurlijk vele oorzaken te bedenken en mijn generatie heeft wel heel gemakkelijk praten. Voor ons was studiefinanciering voor handen die echte financiële onafhankelijkheid van de ouders creëerde. Met de studie hoefde je nog geen tempo te maken. Een baan naast de studie vormde nog geen belemmering, maar een dubbele verrijking. Ouders van nu die het kunnen betalen zijn bereid om te voorkomen dat hun kinderen worden uitgeleverd aan het zogeheten sociale leenstelsel. Dat ze aan die bereidheid het recht ontlenen hun kinderen de weg te wijzen is goed te volgen. In de afgelopen 25 jaar is de infantilisering alleen maar verder toegenomen. Universiteiten proberen gedwongen door bezuinigingen op allerlei manieren de studierendementen te verhogen. Door middel van een ooit verfoeide selectie aan de poort wordt getracht ongeschikte studenten buiten de deur te houden. En de ouders begeleiden hun kinderen op open dagen. Ze zouden het liefst een aantal colleges volgen om te bepalen of een bepaalde studie voor hun kind wel de goede keuze is.

De Groningse hoogleraar scheikunde Marleen Kamperman maakt er korte metten mee. Ze benadrukt dat het onmogelijk is om vooraf een precieze studiekeuze te maken. Ze laat zien dat zo’n keuze altijd min of meer toevallig tot stand komt en dat je vervolgens moet laten zien wat je waard bent. Ze onderstreept dat er altijd elementen in een studie zijn die jou niet passen. Ze waarschuwt voor een keuze die zoveel mogelijk leukigheden als uitgangspunt heeft. Rond het zogenaamde tussenjaar dat lucht moet geven om een nog betere keuze te maken is inmiddels een zeer bloeiende bedrijfstak ontstaan. Kamperman raadt het ten sterkste af. Maar haar allerbelangrijkste advies is ‘Laat je ouder op de open dag thuis.’ Het betoog van Kamperman is vooral gebaseerd op eigen ervaring en niet op onderzoek. Mij spreekt het zeer aan.

Dat de ouders van nu – als ze het zich financieel kunnen veroorloven – hun kinderen steeds meer uit de wind proberen te houden is onmiskenbaar. Illustratief zijn de verhalen in het kader van de tentoonstelling Tienertoer in het Spoorwegmuseum in Utrecht. In 1969 introduceerde de Nederlandse Spoorwegen ´het ticket naar de vrijheid´ waarop je voor 20 gulden acht dagen lang onbeperkt door Nederland kon reizen en dat zo’n 25 jaar in trek bleef. Azzouz Penninger (47) vertelt in de Volkskrant hoe hij met een vriend in 1989 in een telefooncel overnachtte omdat ze op een dag Maastricht niet meer haalden. Zijn eigen kinderen zal hij op hun vijftiende zo’n ervaring niet gunnen: ‘Ik vind het prima om ze een dagkaart te geven waarmee ze in één rechte lijn de trein naar opa en oma kunnen nemen. Maar ze een paar dagen door het land laten reizen? Het voelt toch alsof de wereld onveiliger is geworden. En dat terwijl je je kinderen eigenlijk per seconde kunt volgen dankzij de smartphone.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *