Honderden miljoenen weggegooid aan de preventie business

Delen:

Zojuist de aflevering van Zembla over Preventie met Gezag van 28 mei gezien. Als daarmee één ding duidelijk wordt, dan is het wel dat het beleid gericht op de preventie van jeugdcriminaliteit in ons land volledig is ontspoord. Inmiddels strijken zo’n 250 projecten door het hele land samen 100 miljoen per jaar op, grotendeels zonder enig bewijs van effectiviteit en zelfs met duidelijke indicaties van contra-effectiviteit. Het Rijk stelt dit geld beschikbaar voor de gemeenten die er het hardst voor lobbyen, zonder kennis van zaken, zonder regie, zonder duidelijke eisen wat betreft de te verwachten werkzaamheid. Op gemeentelijk niveau wordt eveneens standaard besloten zonder heldere inhoudelijke eisen aan de ingediende projecten.

Terwijl zich op allerlei niveau‘s professionals met hart en ziel inzetten om te voorkomen dat jongeren die in de criminaliteit terecht zijn gekomen daarin blijven hangen en terwijl er grote tekorten zijn bij de politie en het jongerenwerk, blijkt er inmiddels massaal geld over de balk te worden gesmeten voor projecten waar geen enkele onderbouwing voor bestaat. Twee jaar geleden bleek al uit onderzoek van Geert Jan Stams en Jan Hendriks van de UvA dat veel interventies die gemeenten inzetten niet of nauwelijks wetenschappelijk waren onderbouwd. In hetzelfde jaar kwam in berichten van Investico in Trouw en De Groene Amsterdammer opnieuw naar voren, dat de overgrote meerderheid van de gemeentelijke preventieaanpakken onderbouwing miste. De verantwoordelijke bestuurders en ambtenaren bij de gemeenten bleken meestal zelfs geen idee te hebben dat er zoiets bestaat als een landelijke Erkenningscommissie Interventies en van een lijst met erkende interventies hadden ze nog nooit gehoord. Van alle interventies die gemeenten inzetten is dan ook slechts een fractie beoordeeld en goed bevonden door de Erkenningscommissie.

De wetenschappelijke kennis over wat werkt in de aanpak van (jeugd)criminaliteit is de afgelopen decennia sterk toegenomen met name dankszij de systematische studies van het WODC. Toch blijken noch de Rijksoverheid, noch de gemeenten die azen op de miljoenen van het rijk van die kennis gebruik te maken. Vaak wordt op gemeentelijk niveau uitgegaan van onnavolgbare aantallen jongeren in de minder welgestelde wijken, die ‘dreigen af te glijden naar criminaliteit’. Sommige steden pakken dat inmiddels ‘echt eigentijds’ aan, met digitale middelen om een ‘dynamisch realtime intelligence-beeld’ te verkrijgen van kwetsbare jongeren op basis van ‘groepscans en digitale-bronnenonderzoek.’ Behalve dat dit geen enkele voorspellende waarde op individueel niveau heeft, werkt het uiteraard ook stigmatiserend, terwijl achterliggende, structurele problemen op het gebied van onderwijs en zorg ermee uit beeld verdwijnen.

Net als op het terrein van de jeugdzorg is hier in korte tijd een aantrekkelijke preventiemarkt voor grote en kleine commerciële partijen ontstaan. Zo ontwikkelde de Alliantie WIJschool de zogenoemde WIJ-indicator: leerkrachten die een ‘niet plus gevoel’ bij een leerling hebben, vullen digitaal een vragenlijst in. De software pikt dan automatisch een actie uit een zelf opgestelde databank van 650 interventies, die allemaal ‘effectief bewezen en goed onderbouwd’ zouden zijn. Kortom, screenen van kinderen als commercieel product, zonder degelijke kennis van het verhaal en de mogelijke problematiek van het kind, en uiteraard zonder enig bewijs voor de effectiviteit van deze benadering. Zo installeerde de Amsterdamse oud-ambtenaar Kees Loef op talloze scholen in het land het Preventie Interventie Team (PIT). Het PIT zou het gedrag van de meerderheid van de kinderen waar het PIT zich over ontfermt na vage klachten van docenten ‘normaliseren’. Maar ondanks tonnen subsidie van het ministerie van Justitie en Veiligheid bleef onderzoek achterwege dat dit werkelijk aantoont.

We hebben hier te maken met het fenomeen van ‘the risky child’, waar André van der Laan in zijn oratie onlangs op wees. Tegen de achtergrond van de scherpe daling van de jeugdcriminaliteit sinds het begin van deze eeuw is een nieuwe vorm van ‘netwidening’ ontstaan. Dat wil zeggen dat onze beperkte middelen en capaciteit niet worden gericht op de kleine groep van echte probleemjongeren, die werkelijk al zorgelijke stappen op het gebied van de criminaliteit hebben gezet. Nee, de aandacht gaat bij voorkeur naar twaalfminners en pubers ‘die zouden kunnen afglijden in de criminaliteit’, terwijl sinds begin deze eeuw juist bij de jongsten een duidelijke afname van crimineel gedrag zichtbaar is.

Op dit volstrekt vaag en bewust mistig gehouden gebied wordt inmiddels op talloze plaatsen geëxperimenteerd met interventies waarvan allang bekend is dat ze niet werken. Ervaringsdeskundigen houden verhalen voor de klas. Hele klassen krijgen filmpjes te zien over hoe jongeren in de criminaliteit terecht kunnen komen en daar aanvankelijk flink succes mee kunnen hebben. Kinderen worden naar escape rooms gestuurd om enge dingen te ervaren, ofwel zoals een van de commentatoren in de uitzending van Zembla zei: ‘één grote kijk maar wat je doet show’.

Het beleidsmatig enthousiasme voor dergelijke lokale aanpakken sluit aan op het breed gevoelde idee dat we niet met een afname of stabilisatie, maar juist met een toename van riskant en crimineel gedrag van jongeren te maken hebben. Deze onjuiste voorstelling – ‘ze worden steeds jonger en steeds harder’ – wordt met name voortdurend aangejaagd door verschillende media, zoals ik in mijn boek Criminele jeugd laat zien.

Wat we nodig hebben in kwetsbare wijken en buurten is goed onderwijs, een actieve relatie tussen school en thuis en zichtbaar en professioneel buurt- en jongerenwerk. Als het gaat om de aanpak van jeugdcriminaliteit is een sterke focus op de werkelijk ernstige problemen nodig. Dan gaat het met name om die kleine groep jongeren die in een criminele routine terecht zijn gekomen of daarin duidelijk verstrikt dreigen te raken. Die dienen door professionals met ervaring en kennis van zaken doordacht en met goed onderbouwde interventies te worden aangepakt.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *