Jonge drugsdealers aanpakken (1)

Naar aanleiding van alle commotie over de studie De achterkant van Amsterdam waarin een beeld wordt geschetst van de uit de handlopende drugscriminaliteit in de hoofdstad, liep Het Parool twee dagen mee met een jonge drugsdealer. Jamal (27) is een slimme, charmante jongen die goed kon leren maar in zijn jeugd zwaar in de criminaliteit terecht kwam en op zijn 20ste drie jaar de gevangenis in moest wegens roofovervallen. Daar ontdekte hij de wereld van de drugshandel. Sinds enkele jaren werkt hij samen met een maat als zelfstandig ‘ondernemer’ in deze wereld. Hij koopt cocaïne in in Rotterdam – 1 kilo voor € 28.000; dat brengt in de verkoop ruim het dubbele op. ‘Als ik over drie jaar de drie miljoen heb aangetikt, stop ik.’ Dit is precies de attitude van de volharders in ons onderzoek naar jonge veelplegers: ‘als ik 1 miljoen heb, … of 500.000, dan kap ik ermee.’

Jamal zegt weinig last te hebben van de politie: ‘Agenten hebben het te druk met liquidaties om zich met ons bezig te houden.’ Als dit klopt is het een in meerdere opzichten ongemakkelijke en verontrustende constatering. Onder andere, omdat dit twijfel oproept over de zekerheid, dat de (ex)veelplegers die niet meer voorkomen in de politie- en justitieregistratie ook werkelijk zijn gestopt. Zijn ze misschien onder de radar gebleven door ‘in de drugs’ te gaan? Het advies van doorgewinterde criminele vrienden en familie aan de jongemannen die wij interviewden luidde altijd al om niet zo stom alsmaar met de politie in aanraking te komen en ‘slim’ te worden, dat wil zeggen te gaan dealen – geringe pakkans, lage straffen, hoge inkomsten. Toch denk ik dat de kans dat jonge veelplegers een succesvolle carriereswitch maken naar de drugshandel vrij klein is. Ten eerste zijn de meeste jonge veelplegers juist helemaal niet slim, vandaar dat ze voortdurend worden opgepakt. Ten tweede zijn ze meestal ook niet cool, hebben ze moeite om uit beeld te blijven van de politie en zijn ze om die reden bijvoorbeeld weinig interessant voor de grote jongens in de onderwereld, omdat ze behalve vermogensdelicten vrijwel zonder uitzondering ook veel onnozele geweldsdelicten plegen en verkeersdelicten veroorzaken. Voor criminologen is dit sowieso een ongemakkelijke constatering, omdat hiermee twijfel ontstaat omtrent de betekenis van de al sinds 2007 gesignaleerde forse daling van de criminaliteit. Is er wellicht sprake van een dode hoek in de strijd tegen de misdaad?

Maar de gedachte dat politie en OM geen aandacht meer besteden aan drugsdealers is uiteraard vooral verontrustend, omdat het suggereert dat zij de ontwikkelingen op dit terrein van de criminaliteit niet meer kunnen bijbenen. Dat past precies in het beeld dat we de laatste jaren van diverse kanten krijgen gepresenteerd. Zo wijst NRC-misdaadjournalist Jan Meeus in zijn onlangs verschenen boek De Schiedamse cocaïnemaffia op de sterk toegenomen professionalisering van de drugscriminaliteit. Hij spreekt van ‘onderwereldondernemers’, die zichzelf zien als ‘handelaren die een markt bedienen.’ Hij concludeert inderdaad dat het OM en de recherche het werk niet meer aan kunnen en dat hun prioriteit ligt bij corruptie, geweld en witwassen in plaats van de drugshandel als zodanig. De achterkant van Amsterdam bevestigt dit beeld van een goed georganiseerde en flexibel opererende wereld van drugscriminelen waarin miljarden omgaan en een relatief machteloze overheid, die zich noodgedwongen beperkt tot de aanpak van de uitwassen van de drugshandel en lokaal probeert met bestuurlijke ingrepen ‘omgevingsongemak’ bij te sturen. Zo zien we aan de ene kant dat de politie de dealers allang in de gaten heeft maar ze niet oppakt, terwijl aan de andere kant burgemeesters woningen sluiten op basis van de Wet Damocles waar een paar wietplanten worden aangetroffen.

Oud-politieman Ahmed Marcouch, nu burgemeester van Arnhem, stelde in een interview met de Telegraaf dat ouders aangifte zouden moeten doen als ze merken dat hun kind verdacht veel geld bezit. Als ouders in zo’n geval niet naar de politie stappen zouden ze volgens hem medeverantwoordelijk zijn voor crimineel gedrag. Dat is wel erg kort door de bocht. Zeker, ik ben het met het principe eens. Ik heb al eerder, in reactie op een opiniestuk van Steven Pont in de NRC de stelling verdedigd dat als wij onszelf toestaan een onderscheid te maken tussen de reactie op andermans criminaliteit en op die van onze kinderen, we uiteindelijk misdadig gedrag van onze kinderen legitimeren en dat hoe eerder ouders naar de politie stappen als ze op de hoogte komen van criminele activiteiten van hun kind, hoe groter de kans is dat hun kinderen daar snel mee stoppen.

Maar wanneer je dat niet doet, ben je nog niet zonder meer medeplichtig. Ten eerste gaat die medeverantwoordelijkheid van de ouders in veel gevallen niet op, omdat de jongemannen hun criminele verdiensten vaak goed voor hun ouders verborgen weten te houden. Ook bleek uit ons onderzoek dat het hier niet alleen om een basale ‘beschermings’weerstand tegen de buitenwereld gaat die iedere ouder in zo’n geval kent, maar dat er voor ouders diverse dringende redenen kunnen zijn om niet naar de politie te stappen. Zo zijn met name moeders die iets vermoeden soms bang dat ze dan iedere vertrouwensband met hun kind verliezen. Ouders kunnen zich ook bedreigd voelen door hun oudere zoon. Bovendien is cruciaal dat de ouders voldoende vertrouwen moeten hebben in de politie om aangifte te doen. De achterkant van Amsterdam spreekt van ‘zwijgwijken’, waar laag inkomen, werkloosheid en analfabetisme vaak tot de meest hardnekkige problemen behoren en sterk wantrouwen jegens de politie bestaat onder meer vanwege een zero tolerance-aanpak en etnisch profileren. Zolang de politie doorgaat met dergelijke aanpakken hoeven we echt niet verwachten dat ouders hun kind gaan aangeven, eerder het omgekeerde.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *