Het ouderschapsplan: minder plicht, meer doelgericht

Wat moeten we nu met het ouderschapsplan?‘, vroeg Bas Levering zich af in zijn blog van 22 mei j.l. Dit naar aanleiding van de dissertatie van Marit Tomassen die breed aandacht had gekregen in de media. Tomassen constateerde dat het ouderschapsplan geen verbetering opleverde voor het kind (overigens twee jaar nadat onze Utrechtse collega’s Inge van der Valk en Ed Spruijt tot vergelijkbare conclusies waren gekomen). Levering riep de vraag op of ‘we met zijn allen toch in de val zijn getrapt om met de juristen te denken dat zodra er een regel is geformuleerd, de zaak ook geregeld is’. Het aardige is nu, dat juist van de kant van de juristen precies is gewaarschuwd voor datgene wat deze onderzoekers vaststellen.

Sterker nog, de twee promotoren van Tomassen aan de VU, Masha Antokolskaia en Lieke Coenraad, hebben van meet af aan kritische vragen opgeworpen. Zij hadden ernstige twijfel bij het algemeen verplichte karakter van het ouderschapsplan en ze vroegen zich af hoe serieus ouders hiermee zouden omgaan. Zij wezen erop dat op internet al standaard ouderschapsplannen circuleerden en zij wierpen de vraag op of die niet eenvoudigweg en massaal gebruikt zouden gaan worden door ouders die snel en gemakkelijk wilden scheiden. Volgens Antokolskaia was de verplichting bij informele relaties sowieso een wassen neus.

Eerste Kamerlid en oud-kinderrechter Nanneke Quik-Schuijt vroeg aan de minister of hij werkelijk de illusie had dat nu alle gemeenschappelijke verzoeken met kinderen op zitting zouden worden behandeld? De Eerste Kamerfracties van D66 en VVD stemden tegen nadat de juristen binnen deze fracties hadden aangegeven het algemeen verplichte ouderschapsplan als een onnodige en onwenselijk vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de autonomie van de ex-partners te beschouwen.

Waar het in al deze kritiek met name om draaide was de algemene verplichting. Zoals Tomassen opmerkt, komt de overgrote meerderheid van de scheidende ouders er namelijk zelf al onderling uit en maken zij zelf al afspraken. Zij werpt de vraag op naar de rechtvaardiging dat alle scheidende ouders met minderjarige kinderen zo’n plan moeten opstellen voordat ze mogen scheiden. En zij pleit ervoor om deze verplichting als ontvankelijkheidsvereiste voor de scheiding bij de rechtbank te laten vervallen. Het plan zou slechts als een inspanningsverplichting moeten worden beschouwd.

Merkwaardigerwijs pleit zij vervolgens echter voor verplichte scheidingseducatie bij alle vormen van scheiding (met eigen bijdrage!) als er minderjarige kinderen bij betrokken zijn. Net zoals de Kinderombudsman twee jaar geleden in Vechtende ouders verplichte professionele begeleiding en verplichte scheidingseducatie van alle mensen die uit elkaar gaan aanbeval. Maar met welk doel en met welke rechtvaardiging zouden al die ouders die zich goed bewust zijn van hun ouderlijke verantwoordelijkheid, ook na de scheiding, deze stappen moeten doorlopen? Alleen vanwege degenen die het nu eenmaal niet op eigen kracht met elkaar eens kunnen worden?

Veel wenselijker lijkt het daarentegen om juist doelbewust selectief te werk te gaan: alleen als ouders niet zelf tot werkbare afspraken kunnen komen, kan de rechter ze ergens toe verplichten. Ik denk dan niet zozeer aan scheidingseducatie, maar eerder aan het zogeheten ‘ouderschapsonderzoek’: de rechter benoemt een deskundige die onderzoekt op welke wijze deze ouders alsnog tot praktische afspraken te bewegen zijn. Een studie uit 2013 van E.S.Kluwer (UU) laat zien dat daarvan goede resultaten te verwachten zijn.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *