Meer oog voor de minderjarige vluchteling  

 

De Nederlandse asielzoekerscentra zijn schadelijk voor kinderen, stelt orthopedagoog en jurist Carla van Os. Deze grootschalige, meestal geïsoleerde centra zouden moeten worden afgeschaft. Daarvoor in de plaats moeten kleinschalige welkomstcentra komen. En er moet toegankelijke gezinshulp voor de ouders komen. Deze aanbevelingen deed Van Os in de vijfde Mulock Houwer-lezing,  ruim een week geleden in Leiden.

Onder de titel Broodje Pastrami: opvoeden in crisistijd vroeg zij in een gloedvol, overtuigend en zeer lezenswaardig betoog om aandacht voor de extreem moeilijke opvoedingssituatie van gezinnen in de vluchtelingenopvang. Ze deed dat met een mooie combinatie van pedagogische en juridische argumenten. Zo wijst ze uitdrukkelijk op het VN-Kinderrechtenverdrag en de verplichtingen die de overheid is aangegaan met de ondertekening van dit Verdrag. Artikel 5 van dit verdrag verplicht de overheid immers tot eerbiediging van de verantwoordelijkheid van ouders om te voorzien in passende leiding en begeleiding van het kind.

Tegelijkertijd wijst ze op studies die laten zien dat het veelvuldig verhuizen en het langdurige verblijf in de geïsoleerde centra een ernstige belemmering vormt voor een normale opvoeding. Daarbij komt dat het niet om opvang van gestrande vakantiegangers gaat, maar om volwassenen en kinderen die bij aankomst in het gastland, zoals vele studies laten zien, veelal kampen met angst, depressie en traumatische stressklachten. Rust en stabiliteit zijn dan allereerste vereisten om kansen te bieden aan de eigen veerkracht van het gezin en op herstel van enigszins normale opvoeding. Vanuit pedagogische optiek zijn de vele, soms maandelijkse verhuizingen die gezinnen in de eerste periode van hun verblijf in Nederland meemaken dan ook uitermate schadelijk. Dit voortdurend gedwongen en vaak op het allerlaatste moment aangekondigde verhuizen vergroot immers juist de instabiliteit en onvoorspelbaarheid in het leven van deze kinderen.

Daarbij hebben vluchtelingengezinnen in de huidige opvanglocaties over het algemeen te maken met een tergend gebrek aan privacy en aan mogelijkheden voor eigen regie, van zelf maaltijden bereiden en als gezin gebruiken tot bedtijden en gelegenheid voor spelen. Van Os citeert een ouder: ‘Je hebt geen leiding meer. Als een zombie wacht je op de volgende instructies van het management. Hoe kan je een goede ouder zijn, als je geen controle hebt over je eigen leven en het leven van je kind niet kan controleren? Alle macht is van je afgenomen. Wie voedt dan wie op?’

Daarom pleit zij voor kleinschalige welkomstcentra, waar de IND-ambtenaren gezinnen opzoeken in plaats van andersom, waar de kinderen en ouders basiskennis van het Nederlands verwerven en waar het gezin wordt voorbereid op een plaats in de Nederlandse maatschappij. Daarom verlangt zij van de Nederlandse overheid dat gezinnen direct na aankomst zoveel mogelijk autonomie wordt gegeven, zodat ouders zelf vorm kunnen geven aan de opvoeding. Daarbij zou er in het geval dat veiligheid en stabiliteit alléén niet voldoende blijken om te herstellen laagdrempelige en vrij toegankelijk systemische hulp beschikbaar moeten komen. En tot slot wijst Carla van Os op het pedagogisch belang van vluchtelingenkinderen om zo snel mogelijk in een gewoon huis te wonen.

————————————————————-

Noot van de redactie:

Een artikel van Carla van Os is te vinden in de decembereditie van Pedagogiek in Praktijk (94) 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *