De vechtscheiding 1: de getallen

Er is brede consensus dat de vechtscheiding voor kinderen ellendig is. Het voortdurend venijn tussen hun ouders kan onder meer depressies en slechte schoolprestaties tot gevolg hebben en er zijn ook aanwijzingen dat deze kinderen later zelf meer problemen ondervinden in relaties. Maar als we een beeld proberen te krijgen van de ernst en omvang van dit fenomeen, en dus van de noodzaak dat hierbij van hogerhand wordt ingegrepen, dan blijkt dat allesbehalve gemakkelijk. Dankzij het CBS weten we een heleboel over echtscheiding, maar dat geldt niet voor de vechtscheiding. We hebben daarvan eenvoudigweg geen betrouwbare, eenduidige registratie. Gevoegd bij de niet altijd even duidelijke interpretatie van dit begrip en de emotionele lading die het bij alle betrokkenen heeft, biedt dit gemakkelijk ruimte aan overschatting, opwinding en hypes.

Scheiden raakte eind jaren zestig maatschappelijk meer geaccepteerd. De cijfers laten dan al een verdubbeling zien vergeleken bij de jaren veertig en vijftig. In dat liberaliserend klimaat voerde het centrumrechtse kabinet De Jong in 1971 een vernieuwing van de echtscheidingswet door waarmee huwelijksontbinding gemakkelijker werd. In de jaren zeventig/ tachtig steeg het aantal echtscheidingen van 10.000 naar ruim 30.000, waarna het door de jaren heen om en nabij dat aantal is gebleven. Veelzeggender is echter dat het echtscheidingspercentage sindsdien is verdubbeld. Inmiddels eindigt zo’n 40% van alle huwelijken in een echtscheiding.  En in de meerderheid van de gevallen zijn daar kinderen bij betrokken. Wat opvalt is dat nog niet heel lang geleden – eind vorige eeuw – meer scheidingen plaatsvonden zonder kinderen dan met, maar dat dit sindsdien royaal is omgeslagen. Scheiden is in de achter ons liggende halve eeuw ‘gewoon’ geworden en dat geldt inmiddels ook voor scheiden met één of meer kinderen.

In 2016 waren bijna 34.500 minderjarigen betrokken bij een echtscheiding van hun ouders. Ondanks dat dit eenvoudig te verifiëren cijfers van het CBS zijn, wordt hierover op sommige plekken onjuiste informatie verstrekt. Zo verwijst de Vereniging van Nederlandse Gemeenten op haar site naar een ‘factsheet‘ waarin wordt beweerd dat jaarlijks 55.000 kinderen te maken zouden krijgen met de scheiding van hun ouders. Intussen moet ook rekening worden gehouden met ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Deze vorm van officiële verbintenis is de afgelopen jaren snel populair geworden en inmiddels kiest 20% van de stellen hiervoor. Er zijn geen cijfers over het aantal minderjarigen dat jaarlijks betrokken is bij beëindigde partnerschappen, maar dat zullen er gezien het nog relatief geringe aantal van dit soort verbintenissen hooguit 5.000 zijn. Daarmee ligt het totaal aantal ‘scheidingskinderen’ per jaar ergens tussen de 35 en de 40.000.

Hoeveel daarvan zijn nu betrokken bij een vechtscheiding? Volgens sommigen is er sprake van een explosieve toename. De Raad voor de Kinderbescherming noemt op haar site een aantal van meer dan 5000 kinderen die jaarlijks met de Raad in aanraking komen in verband met de scheiding van hun ouders. De ‘factsheet’ waar de VNG naar verwijst noemt een aantal van 3.500 kinderen. Dat getal is vermoedelijk ontleend aan de enquete die Tns Nipo in opdracht van de Vereniging Familierecht Advocaten en Scheidingsmediation (Vfas) hield onder ruim 1000 advocaten en mediators. Uit dit veel aangehaalde onderzoek zou blijken dat in de afgelopen twee jaar 1 op de 5 scheidingen een vechtscheiding was en dat zo’n 3.500 kinderen daar ernstig onder lijden. Met die uitkomst in de hand bepleit de Vfas dat alle scheidende ouders eerst verplicht naar een deskundige scheidingsmediator moeten. In die richting is enkele jaren geleden ook een voorstel gedaan door de SGP als aanscherping van een wetsvoorstel tot bevordering van mediation van toenmalig VVD-kamerlid Ad van der Steur. Een onderzoek van de landelijke organisatie voor mediation, op basis van een analyse van de data van het CBS en van relevante gerechtelijke uitspraken over de afgelopen tien jaar, komt echter tot heel andere conclusies: jaarlijks zouden zich 500 vechtscheidingen voordoen, waarbij in minder dan de helft kinderen betrokken zijn.

5.000, 3.500 of 350 kinderen die jaarlijks de dupe worden van een vechtscheiding, dat maakt nogal verschil. We weten het niet zeker maar op grond van de gehanteerde bronnen lijkt het laatstgenoemde onderzoek betrouwbaarder. Zouden dan alle ouders die willen scheiden, vanwege het feit dat  één procent van de ‘scheidingskinderen’ daar naar alle waarschijnlijkheid ernstige last van zal ondervinden, eerst verplicht naar een deskundige scheidingsmediator moeten? Afgezien van de contradictoire grondslag van dit voorstel – de basis en specifieke kracht of het ‘geheim’ van mediation ligt immers precies in de vrijwilligheid van de deelnemers – lijken algemeen preventieve voorstellen op dit terrein meer tegemoet te komen aan de behoefte van de betrokken beroepsgroep dan aan de behoeften van de kinderen die werkelijk hulp nodig hebben in hun benarde situatie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *