Wat gaat er nu weer met onze peuters gebeuren? (Leeswijzer bij NRC-voorpagina nieuws)

Delen:

De onderwijswethouders van de vier grote steden lieten aan de vooravond van het Tweede Kamerdebat over de onderwijsbegroting in de krant van 5 december gezamenlijk hun stem horen. Om de vroege segregatie te bestrijden willen ze één instelling waar de kinderen tussen 2,5 en 4 een beperkt aantal uren per week naar school gaan. Dat tegengaan van segregatie is natuurlijk van groot belang, maar naar school? Als je twee en een half bent?

Nu zijn er volgens de krant twee verschillende ‘voorscholen’. Dat klopt, en volgens oud-staatsecretaris Sander Dekker moest dat ook uitdrukkelijk zo blijven. Dat wil zeggen, het geld voor de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) mocht van de bewindsman (brief een de Tweede Kamer van 6 juni 2016) uitsluitend ingezet worden voor de doelgroepkinderen, de kinderen met een achterstand. In deze discussies gaat het altijd over geld en in dit geval gaat het zelfs op een dubbele manier over geld. De wethouders van de grote steden hadden in de afgelopen jaren namelijk vaak ook flink wat eigen geld in de VVE voor niet-doelgroepkinderen gestoken. Daarnaast was de nieuwe verantwoordelijk minister Arie Slob van plan de VVE–gelden anders over alle gemeenten te verdelen, waardoor de vier grote gemeenten voor miljoenen gekort dreigden te worden. Alle reden om alarm te slaan dus.

‘Voor- en vroegschoolse educatie worden gezien als belangrijk middel om de toenemende kansenongelijkheid in het onderwijs tegen te gaan,’ zegt de krant. Door wie eigenlijk? Niet door Ruben Fukkink, Lisanne Jilink & Ron Oostdam van de Universiteit van Amsterdam natuurlijk, want die hadden eind 2015 in hun meta-onderzoek laten zien dat vijftien jaar onderzoek naar effecten van de VVE, als het om de bestrijding van achterstanden gaat, niets had opgeleverd. Wel door het Ministerie van OCW dat, nog voordat men van het rapport kennis had kunnen nemen, meldde dat nieuw onderzoek vermoedelijk nu voor het eerst wél effecten liet zien. Ook door de woordvoerders van de meeste partijen in de Tweede Kamer die, toen ik hen successievelijk vroeg waarom ze de waarheid niet onder ogen wilden zien, ruiterlijk toegaven dat ze bang waren dat dan al het geld bij het jonge kind zou worden weggehaald. Op dit moment maakt men zich druk om de manier waarop het onderzoek, dat voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt uitgevoerd, verplicht wordt tot resultaten die in de politieke agenda passen. Het wordt hoog tijd om na te gaan hoe het wat dat betreft gesteld is met het onderzoek dat door het ministerie van OCW wordt gesubsidieerd. Ook van de Onderwijsraad mogen we wat dat betreft een kritischer houding verwachten. (Zie: Levering, 2017). Om de segregatie tegen te kunnen gaan is het van groot belang dat jonge kinderen onverdeeld naar de jonge kind-voorzieningen gaan, maar dat is iets volstrekt anders dan beweren dat de VVE gelijke kansen schept of achterstanden bestrijdt. Harm Beertema (PVV) was in het Kamerdebat over de onderwijsbegroting de enige die het onbegrijpelijk vond dat er komend jaar 170 miljoen extra aan VVE zal worden uitgegeven, terwijl onderzoek heeft aangetoond dat, zoals hij het zei, ‘de effecten marginaal zijn’. Maar zíjn partij is wellicht wat minder geïnteresseerd in het tegengaan van segregatie.

Als het er om gaat kinderen met verschillende achtergrond samen naar voorzieningen voor jonge kinderen te laten gaan, zijn er meer obstakels dan de wethouders zich realiseren. De wethouders hebben zich van dergelijke belemmeringen in de afgelopen jaren overigens niets aangetrokken. In het onderwijs is artikel 23 met zijn grondwettelijke vrijheid van schoolkeuze een serieuze belemmering voor integratie. Daar ontbreekt het aan wettelijke mogelijkheden om de witte vlucht kunnen indammen. Toch heeft overheid in de afgelopen tien jaar door zwalkend beleid de jonge kind-voorzieningen zo onder druk weten te zetten dat ze de rigide VVE-programma’s wel moesten afnemen. In een door die overheid zelf veroorzaakte krimpende markt moest je als instelling sterk in je schoenen staan om het VVE-aanbod af te slaan. In dat geval liep je extra middelen mis en dat betekende dat je personeel moest ontslaan. In sommige gevallen werden de instellingen op het rechte pad gehouden door ouders die absoluut niets van de rigide VVE-programma’s wilden weten.

Als het om de bevordering van gelijke kansen gaat lijkt het erop dat de rijksoverheid in de afgelopen jaren vooral maatregelen genomen heeft die averechts uitpakken. Gaandeweg is het zogeheten stapelen, dat voor kinderen met een migratieachtergrond een uitgelezen kans bood om op een passende  plaats in de maatschappij terecht te komen, onmogelijk gemaakt. De opbouw van ons onderwijsstelsel, met zijn vroege selectie op twaalfjarige leeftijd, is alleen te verantwoorden als aan alle trage starters later tweede kansen geboden worden. Het zogenoemde sociale leenstelsel pakt asociaal uit, omdat het juist de kinderen met een migratieachtergrond zijn, die het lenen niet blijken aan te durven. In het Gelijke Kansen Actieplan van Bussemaker en Dekker, van 31 oktober 2016, ging het vooral om pogingen tot verbetering van de overgangen van primair naar secundair, en van secundair naar tertiair, onderwijs. Dat zijn geen onbelangrijke, maar wel marginale zaken en daarom is zo’n naam ‘Gelijke Kansen Actieplan‘ misleidend. Met de afbouw van de stapelmogelijkheden, de invoering van het sociale leenstelsel en de investeringen in de VVE, die dus alle verkeerd uitpakken of niets opleveren, zijn veel grotere bedragen gemoeid die hoognodig een andere bestemming moeten krijgen.

 

 

Levering, B. (2017). Fact free of contra-fact politics, of toch détournement de pouvoir? De Nederlandse overheid en de voor- en vroegschoolse educatie. In: Amsing, H. e.a. (red.). De kern van onderwijs. Liber Amicorum voor Wilna Meijer. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen. 61-65.

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *