De Eén-tegen-100 toets. De nieuwe emancipatiemonitor

Er is de laatste weken weer veel te doen over de achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt. Al jaren worden we achtervolgd door het onveranderde bericht dat het vrouwen maar niet lukt om door te dringen tot de boardrooms. Ondanks al die overtuigende verhalen over de superioriteit in alle opzichten van een gemengde bedrijfsleiding, blijven directies, vooral in Nederland, voornamelijk een mannenaangelegenheid. Afgelopen week kwam daar nog eens het bericht overheen dat de verdiensten van vrouwen van onder de 35 voor precies hetzelfde werk substantieel lager liggen. Twee jaar geleden was dat nog 4,9 procent. Inmiddels verdienen vrouwen gemiddeld 6,4 procent minder dan mannen.

Anna van den Breemer en Serena Frijters becijferden voor de Volkskrant dat het op de keper beschouwd allemaal nog veel erger is. De CBS-cijfers, waarop het onderzoek van  de Universiteit Nyenrode op gebaseerd zijn, zijn namelijk voor allerlei factoren – zoals werkervaring, opleiding, sector en al dan niet leiding geven – gecorrigeerd. Compenseer je de cijfers niet op die manier, dan komt het verschil in verdiensten tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers bij de overheid op 8 procent uit en bij die in het bedrijfsleven zelfs op 18 procent. Er worden allerlei maatregelen voorbereid. Deze week ligt het voorstel in de Tweede kamer voor om voor raden van bestuur van beursgenoteerde ondernemingen een wettelijke vrouwenquotum van 30 procent af te kondigen. Een substantiële verhoging van het wettelijk minimumloon van minstens 10 procent zou als effectieve hefboom voor een algehele emancipatie kunnen worden ingezet, maar daarover bestaat politiek geen consensus.

De voor- en nadelen van quota zijn genoegzaam bekend. Velen zien op de korte termijn geen alternatief. De column van Aleid Truijens in de Volkskrant van 23 november 2019 over de problematiek had als titel ´De enige manier: vrouwen moeten hun rechten nemen.’ Als we de grote vraag proberen te beantwoorden waarom vrouwen dat nog altijd niet doen, kunnen we vele redenen en oorzaken aanvoeren, maar één ervan is zo dominant en persistent dat we die nodig aan een nadere analyse moeten onderwerpen. Mannen zijn competitief, vrouwen verbinden. Als je kinderen een spelletje Scrabble leert spelen zal al gauw duidelijk worden dat de wil om te winnen niet gelijk over de seksen is verdeeld. Meisjes zijn geneigd om met elkaar te overleggen en elkaar te helpen, jongens leggen hun hand voor het rekje letters, zodat hun tegenstanders beslist niet kunnen zien met welke letters ze het moeten doen. En nee, niet álle jongens zijn competitiever dan álle meisjes, sommige meisjes zijn competitiever dan sommige jongens. Het gaat, zoals Martine Delfos het zo mooi heeft aangeduid, om een voorkeursverschil. De normaalverdelingen overlappen elkaar grotendeels. Het is onmiskenbaar dat het verschil in opvoeding en onderwijs wordt benadrukt en dat pogingen om de betekenis van het verschil te minimaliseren weinig succes hebben gehad. De documentaire Venten strijken niet (1998) overtuigt nog altijd.

Ik wil in dit verband een nieuwe emancipatietoets voorstellen. Laten we het de ‘Eén-tegen-100 toets’ noemen. De televisiequiz ´Eén tegen 100´, die al bijna twintig jaar loopt, kan wat mij betreft hoe dan ook ingezet worden om op een eenvoudige en betrouwbare manier na te gaan hoe het met de vrouwenemancipatie in ons land gesteld is. In de gevarieerde kennisquiz, waarin één kandidaat het opneemt tegen honderd andere kandidaten, gaat het me nu even niet om het spel zelf. (De quiz levert hoe dan ook zeer rijk onderzoeksmateriaal op om het verschil in risicobereidheid tussen mannen en vrouwen te onderzoeken bijvoorbeeld). Het gaat me hier en nu om het moment waarop de computer in de uitzending de volgende kandidaat gaat kiezen en om wat daarop volgt. De 100 kandidaten zitten op een tribune in zeven rijen boven elkaar. De nieuwe kandidaat wordt kenbaar gemaakt doordat de 99 afvallers onder aanzwellende muziek successievelijk één voor één in het donker worden gezet, totdat de uitverkorene voluit in de spotlights komt te staan. De muziek stopt en … als de kandidaat een man is, steekt hij triomfantelijk één vuist of beide handen in de lucht en … als de kandidaat een vrouw is, schiet er minstens één hand naar de mond om aan de schrik uitdrukking te geven. Als het waar is dat een van de belangrijke oorzaken dat vrouwen niet tot leidinggevende functies doordringen is, dat zij altijd twijfelen of ze een taak al dan niet aankunnen, terwijl mannen steevast van oordeel zijn dat ze de klus wel zullen klaren, zelfs als daar weinig grond voor is, dan wordt dat verschil hier in één klap zichtbaar gemaakt. Opnieuw, het verschil geldt vanzelfsprekend niet voor álle vrouwen en álle mannen, maar het verschil, dat zich voor onze ogen manifesteert, is ronduit overdonderend. Bijna twintig jaar uitzendingen van ´Eén tegen 100´ maken het mogelijk om heel precies na te gaan of er in die periode hoe dan ook vooruitgang is geboekt. (De methodische kwestie, of het bij de deelnemers aan deze televisiequiz om een aselecte “steekproef” uit de Nederlandse bevolking gaat, vraagt wellicht nog om enige aandacht. Maar het gaat bij de kandidaten hoe dan ook om mensen die aan zo’n spelletje mee willen doen en dus om mensen die allemaal die ambitie hebben. Als het om telvisiequizzen gaat spreekt het eeuwige gezeur over het tekort aan vrouwelijk kandidaten hoe dan ook boekdelen).

In de winter van 1979/80 verbleef ik in New Delhi (India). Het was heel bijzonder om uitgenodigd te worden voor een diner bij een collega van de Universiteit van Delhi thuis. Wij zaten getweeën aan tafel en werden bediend. De overige leden van het gezin kreeg ik alleen bij binnenkomst te zien. Tegen het einde van de maaltijd heb ik het gesprek op de positie van de vrouw gebracht. Desgevraagd vertelde hij mij dat dat er in India in de hogere kringen sprake was van gelijkheid. Vrouwen participeerden volwaardig, zo legde hij uit. In de onderste regionen van de samenleving was dat ook het geval. Vrouwen in die bevolkingslaag moesten nu eenmaal even hard werken als de mannen, dus dat gaf geen aanleiding om verschil te maken. Maar in de middenklasse was het verschil heel groot en stond de man ver boven de vrouw. Ik was er ten tijde van de verkiezingen waarbij Indira Ghandi opnieuw tot premier van het land verkozen zou worden. (N.B. Nederland wacht veertig jaar later nog altijd op zijn eerste vrouwelijke premier). Bij de verkiezingsbijeenkomsten op Connaught Place, in het centrum van Delhi, trof ik alleen maar mannen aan, geen enkele vrouw. Ik informeerde mijn gastheer over een nieuwe ontwikkeling aan Nederlandse universiteiten, over de zogeheten ‘positieve discriminatie’, internationaal bekend als affirmative action: het bij sollicitaties, in het geval van kandidaten van gelijke kwaliteit, de voorkeur geven aan de vrouw. Hij zag er wel wat in. Hij had, zo zei hij, eigenlijk nooit anders gedaan. Bij gelijke kwaliteit had hij altijd voor de vrouw gekozen. ‘Mannen zijn ambitieus, vrouwen kun je eronder houden,’ luidde zijn toelichting. Het was een aangenaam gesprek geweest aan een mooie maaltijd, maar aan het eind bleek dat we blijkbaar de hele avond over verschillende onderwerpen hadden zitten praten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *