Nooit meer de weg kwijt

Al heel jong gezegend met een uitstekend richtingsgevoel en met een overmatige belangstelling voor topografie, heb ik me altijd verbaasd over mensen die niet wisten waar ze waren of niet naar het noorden konden wijzen als je hen ernaar vroeg, zelfs net als de zon uitbundig scheen. Ik vond het zelfs bijzonder jammer dat hun ongeïnteresseerdheid hen zo weinig schade deed. Het mocht dan zo nu en dan wat langer duren, maar blijkbaar kwamen ze er toch altijd wel. Zelf vind ik het nog altijd heerlijk om na een kwartiertje boven een kaart gehangen te hebben in een oude, mij onbekende, stad zonder problemen mijn weg te kunnen vinden. Wat een genot ook om in delen van het land waar ik nog nooit geweest ben, bij een zich op een snelweg aankondigende file vlot een weg binnendoor te kunnen vinden, omdat de plaatsnamen op de borden mij wel iets zeggen. Hoewel ik bewondering heb voor het technische vernuft dat de gps-navigatie mogelijk heeft gemaakt, is het hulpmiddel niet aan mij besteed. In de strijd tegen hersenverweking maak ik er zelfs bewust geen gebruik van.

De laatste veronderstelling, dat door gebruik van tomtom-achtige hulpmiddelen hersencapaciteit verloren zou gaan, is natuurlijk een voor de hand liggende hypothese. Ook de neurowetenschap durft die inmiddels te bevestigen. Dat blijkt uit een artikel van Ronald Veldhuizen in de Volkskrant van 1 februari 2020, dat onder de titel ‘Wijzer in elke richting’ de laatste inzichten meldt. Op de vraag ‘Verpest googlemaps het richtingsgevoel?’ brengt hij het niet erg overtuigende antwoord van de neuropsychologie: ‘Misschien wel een beetje.’

Ik moet de lezer even waarschuwen. Ik vind de resultaten van het peperdure neurowetenschappelijk onderzoek meestal vreselijk tegenvallen. In het algemeen gaat het om aansprekende verwijzingen naar wat er in de hersenen dankzij de fMri-scan zichtbaar is. Maar wat een hersenactiviteit of het ‘vuren van neuronen’ betekent is allesbehalve zonder meer duidelijk. Dat vraagt om interpretatie en daarbij kun je danig de plank misslaan. Zelden leiden de resultaten van neuropsychologisch onderzoek tot meer inzicht dan we ook zonder één enkele blik onder de hersenpan allang bezitten. Daarenboven worden er veel te vaak metaforen gebruikt waar men in de gewone, experimentele, psychologie van terecht gruwt. In dit geval wordt er bijvoorbeeld van zonder aarzeling van ‘luie hersenen’ en ‘dagdromende plaatscellen bij ratten’ gesproken. Heel vaak kunnen we in de beschrijving van waar mensen onder bepaalde omstandigheden al dan niet toe in staat zijn de term ‘brein’ schrappen, zonder dat er enig wezenlijk informatieverlies volgt.

Ineke van der Ham, neuropsycholoog van de Universiteit Leiden, vindt het onderzoek van Hugo Spiers, hoogleraar aan het University College London en hoofdonderzoeker van een studie bij studenten te beperkt om de conclusie dat de gps tot afname van de navigatiecapaciteit leidt te kunnen trekken. Tal van hersengebieden lichten fel op in de scans wanneer de studenten van Spiers zelf hun weg moesten vinden. Gebruikten ze voor dezelfde navigatietaak een ‘hier rechts, daar links’-navigatiehulp, dan was er vooral achtergrondruis te zien. Van der Ham vond zelf wel voorzichtige (!) aanwijzingen voor een negatieve invloed gebruikt van gps-navigatie. In haar publieksonderzoek ‘Navigeren kun je leren’ liet ze 13 duizend Nederlanders met virtual reality routes uitzoeken. Uit het feit dat 50-jarigen dat het best deden, meent zij de conclusie wél te kunnen trekken. De nu 50-jarigen zijn nog opgegroeid zonder gps en die moesten als ze ergens naartoe moesten voordat ze wegreden met behulp van een kaart de route uit je hoofd leren, is haar redenering. Die conclusie, alle variabelen die mogelijk in het geding zijn in beschouwing genomen, lijkt míj nu weer erg voorbarig.

Ik vind dat er op de onderzoeksopzet van Van der Ham flink wat is aan te merken. Haar test vraagt om louter links-rechts beslissingen, in die zin dat in de overigens mooi getekende videobeelden het ruimtelijk overzicht ontbreekt. Je ervaart niets van de omgeving, je kijkt alleen maar vooruit. Het bovenaanzicht wordt pas achteraf geboden. Het onderscheid tussen het egocentrisch en het allocentrisch perspectief – worden plekken onthouden vanuit of los van de eigen positie – lijkt mij hoe dan ook te beperkt. In het vragendeel van de test wordt alleen geïnformeerd naar hoe de proefpersoon zijn of haar eigen navigatievermogen inschat. Dat zal nog interessant blijken vanwege het eeuwige vooroordeel dat mannen in vergelijking met vrouwen een superieur oriëntatievermogen zouden hebben.

Spiers oppert nog dat het bovenaanzicht van de kaart op het gps-systeem mogelijk toch inzicht in omgeving geeft, maar helaas is ook daarnaar alweer nog geen onderzoek naar gedaan. Hoogleraar ruimtelijke cognitie Albert Postma, van mijn eigen Utrechtse Universiteit, komt nog met het overdonderende oordeel dat we ondanks de negatieve invloed die het op ons oriëntatievermogen heeft toch niet helemaal van digitale navigatiehulp afscheid moeten nemen. Hij beveelt een combinatie aan. ‘Dat haalt je de koekkoek!’ zou ik zeggen. Op weg met de auto in oude binnensteden met een wirwar aan éénrichtingstraten, laat ik mijn smartphone mij ook graag de weg wijzen, maar verder bij voorkeur niet. Sinds maart 2019 is rijden met gps-navigatie overigens een verplicht onderdeel van het Nederlands rijexamen, dus ook wat dat betreft is er geen weg terug.

Neuropsychologen geven vaak een verdacht voor de hand liggende voorstelling van zaken. Naar het aloude credo van Willem van Ockham moeten we de zaken in de wetenschap vooral niet ingewikkelder maken dan nodig en soms blijkt het ook verrassend eenvoudig. Neem de orthogonale structuur van het evenwichtsorgaan, die het onmiddellijk voorstelbaar maakt hoe het mogelijk is dat kinderen bij het leren lopen – wat ze in alle gevallen overigens met veel vallen en opstaan doen – van meet af aan in de loodrechte stand gedirigeerd worden. Daar hebben ze geen enkele kennis van de wetten van de zwaartekracht voor nodig. Toch komt op mij het verhaal van de plaatscellen in het geval van navigatie als erg simplistisch over. Ondanks het feit dat ik geen enkele moeite heb om aan te nemen dat de zogenoemde plaatscellen op een mri-scan als zodanig zichtbaar zijn, maakt vooral de redenering op mij een primitieve indruk. Als er plaatscellen zijn die met herkenningspunten verbonden zijn, dan moeten er natuurlijk ook cellen zijn die over de afstand informeren. En ja hoor, ook die blijken te bestaan. En dan moeten de plaatscellen, als we van een andere kant komen, natuurlijk ook nog in een andere volgorde gaan liggen. En ja hoor, ook dat blijkt het geval. En als we op minder bekend terrein komen, moeten we blijkbaar een beroep doen op de zogenoemde roostercellen. Probleem daarvan blijkt dan weer te zijn dat die roostercellen het nog wel eens laten afweten of zelfs ontbreken. Wie het gevoel heeft dat dit allemaal echt opschiet, mag het zeggen. Ik heb inderdaad altijd het gevoel gehad dat ik al heel lang al heel veel kaarten in mijn hoofd had, die ik naar believen kon raadplegen. Zoals gezegd, waar ik ook ben, ik realiseer me altijd waar ik ben op de kaart. Wanneer hoor ik uit neurowetenschappelijke hoek nu eindelijk eens iets dat niet bij voor de hand liggende hypotheses aansluit? Wanneer gaat het een keer niet om plaatjes bij verklaringen die in de reguliere psychologie allang voor handen zijn? De ontdekking meer dan twintig jaar geleden van hoogleraar cognitieve neuroscience Eleanor Maguire (net als Spiers verbonden aan het UCL) dat Londense taxichauffeurs, die het hele stratenplan uit hun hoofd kenden, een verdikte hypocampus hadden, was bijzonder, maar zó bijzonder toch ook weer niet. Het zou pas bijzonder zijn geweest wanneer het hersendeel, waar volgens neurowetenschappers het geheugen zetelt, dunner geworden zou zijn. En zelfs als dat het geval geweest zou zijn, zouden onze neuropsychologische topinterpretatoren daar vast wel weer een mouw aan hebben weten te passen.

Het is niet eenvoudig om te bepalen hoe we ervoor kunnen zorgen dat kinderen die nu aan ons onderwijs beginnen, straks als ze volwassen zijn, in letterlijke zin goed hun weg zullen kunnen vinden. Zoals het in 65 jaar geleden mijn tijd toeging is natuurlijk niet langer de aangewezen manier. Ik prijs me nog altijd gelukkig dat ik mede door het stampen van rijtjes als ‘Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Hoek van Holland’ en ‘Groningen, Hoogezand, Sappemeer, Veendam, Wildervank’ die kaarten in mijn hoofd heb gekregen die er ook niet meer uitgaan. Alhoewel, uit onderzoek blijkt dat het oriëntatievermogen na ons veertigste begint af te nemen en dat dat na ons zestigste nog eens versneld doorgaat. (Ook de hippocampus blijk navenant in omvang af te nemen). Maar om ons ook in het onderwijs nu volledig te verlaten op de kaarten die in de gps-navigatie programmatuur liggen opgeslagen lijkt me ook niet verstandig. Wellicht moeten we veel meer ons uitgangspunt kiezen in het gegeven dat mensen hun weg op zoveel verschillende manieren weten te vinden. Ooit kon je, als je eenmaal in de stad van je bestemming was aangeland gewoon aan de eerste beste voorbijganger de weg vragen, en die wist je die dan ook meestal haarfijn aan te duiden. Tegenwoordig is de kans heel groot dat je een toerist treft die het zeker ook niet weet. Waarschijnlijk zal één merkwaardig verschil tussen mensen die goed kunnen navigeren en mensen die die capaciteit missen gewoon blijven bestaan. Er huist toch iets paradoxaals in het feit dat goede navigeerders in het algemeen heel precies in hun uitleg zijn, terwijl slechte zich er met en Jantje van Leiden van af maken. Je zou verwachten dat mensen die het er zelf zo moeilijk mee hebben zich bij het helpen van anderen wat meer zouden inspannen, maar ze kunnen er zelf helaas niet meer dan een slag naar slaan.

Twintig jaar geleden verscheen het boek Waarom mannen niet kunnen luisteren en vrouwen niet kunnen kaartlezen van Allan en Barbara Pease. Inmiddels is duidelijk dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat vrouwen slechtere navigatoren zijn dan mannen en dat, voorzover dat wel het geval is, dat met andere variabelen te maken heeft dan met verschillen in de hersenstructuur. Wel is duidelijk – dat wordt ook bevestigd in het onderzoek van Ineke van der Ham – dat mannen vínden dat ze beteren navigatoren zijn; ze overschatten zichzelf. Zelfs neurowetenschappers weten dat het in de verklaring van het gedrag altijd ook om ingesleten culturele verschillen en om de hormonen gaat. En uiteindelijk is de vraag of je later als je groot bent gemakkelijk je weg kunt vinden natuurlijk toch gewoon een kwestie van gelijke kansen. Voor wie het zich kan veroorloven om altijd een taxi te kunnen nemen bestaat het probleem helemaal niet.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *