Geen minderjarigen in de politiecel 2

Altijd jammer als politici zich pontificaal uitspreken over zaken waar ze geen verstand van hebben. Of waar ze zich niet in willen verdiepen, maar alleen maar aandacht mee willen trekken. Dat bemoeilijkt iedere inhoudelijke discussie. De voorman van Forum voor Democratie maakte van meet af aan duidelijk dat hij lak heeft aan feitelijke informatie, zonder kennelijk te beseffen dat een democratisch bestel debat op grond van kennis van de beschikbare feiten vooronderstelt. Maar misschien is het nog kwalijker als politici van de grootste regeringspartij zich bezondigen aan kletskoek en daarmee een vorm van fake news fabriceren. Daar valt immers niet alleen geen zinnige discussie mee te voeren. Meestal nemen ze ook zonder argumenten, impliciet of zelfs expliciet afstand van wat er aan beschikbaar feitenmateriaal voorhanden is, zelfs als dat door overheidsinstituten of onafhankelijke wetenschappelijke instanties is aangedragen.

Dat laatste is duidelijk het geval bij het optreden van Jeroen van Wijngaarden, sinds een jaar terug als lid van de Tweede Kamer voor de VVD en sindsdien justitie-woordvoerder voor die partij. Zonder enige achtergrond in deze materie mag hij graag provocerende uitspraken doen over zulke uiteenlopende en vaak uiterst gecompliceerde vraagstukken als de aanpak van mensenhandel, ambtsmisdrijven, rechtshulp, kinderbescherming en het dossier MH17. Zo kwam hij afgelopen zomer met het bepaald gedurfde voorstel om celstraffen op te leggen voor het redden van migranten uit zee. Dat leidde uiteraard tot niets, maar hij had toch maar even de aandacht op zich gericht. Om die reden werd hij onlangsl ‘’ballonoplater’ van dienst’ genoemd. In een recente discussie met advocaat Eva Huls van Defence for Children kiest hij voor eenzelfde extreem botte en ongeïnformeerde opstelling. Dit keer is de aanleiding het advies van de RSJ om minderjarige verdachten zo min mogelijk vast te houden in een politiecel. Van Wijngaarden vindt dat niks. En daarvoor draagt hij vier argumenten aan, die stuk voor stuk overduidelijk in strijd zijn met de feiten.

Zijn eerste argument luidt dat we het ‘hier niet hebben over zielige kinderen, maar over jeugdige criminelen (…) straattuig dat met kapmessen van 30 cm de buurt terroriseert.’ Het kersverse kamerlid heeft kennelijk de uitgebreide discussie gemist die ontstond naar aanleiding van de column van Toine Heijmans in de Volkskrant van juni 2018 over zijn 13-jarige zoon, die 6,5 uur lang in een politiecel werd vastgehouden vanwege het stelen van een pak koekjes. Iedereen die de informatie van het WODC en het CBS bijhoudt weet overigens dat het nog steeds gaat om de aloude jeugddelicten. Meest voorkomend geregistreerd misdrijf onder minderjarigen is diefstal op school of op werk, gevolgd door winkeldiefstal. Daarna komen typische jongensdingen als vechten, waarbij wel eens een blauw oog of een bloedneus wordt geslagen, en vernieling, bekladden van muren, trams of bussen. Geweld bij diefstal, wapenbezit en iemand met een wapen verwonden komen amper voor onder minderjarigen, ook al krijgt dit in die zeldzame gevallen veel aandacht in de media.

Van Wijngaardens tweede argument heeft zo mogelijk nog sterker het niveau van kroegpraat: ‘Daders worden helaas steeds jonger en plegen steeds zwaardere misdrijven.’ Jaar in jaar uit blijkt uit onderzoek dat de jeugdcriminaliteit sinds 2007 is gedaald, dat de leeftijd waarop jongeren delicten beginnen te plegen niet is gedaald en dat zij evenmin steeds zwaardere delicten plegen.

Zijn derde argument luidt dat ‘de huidige werkwijze van de politie ruimte laat voor maatwerk’. Kennelijk heeft hij het rapport van de RSJ noch eerdere rapporten over deze materie van de Nederlandse Advocaten Vereniging en Defence for Children gelezen. Daaruit blijkt namelijk niet alleen zonneklaar dat die ruimte er nauwelijks is, maar ook dat de politie in veel gevallen ongelukkig is met de gang van zaken. Zijn vierde argument ligt in het verlengde hiervan: ‘Het getuigt van weinig vertrouwen in de politie als je doet alsof je zomaar in een cel kunt belanden.’ Net als het verhaal van Toine Heijmans hebben al deze rapporten juist laten zien dat kinderen inderdaad ‘zomaar’, naar aanleiding van flutdelicten in de cel kunnen belanden.

Nuchter gezien voert Van Wijngaarden een schijndiscussie. Iedereen is het er namelijk over eens is dat vasthouden in een politiecel wel degelijk geboden is bij die paar uitzonderlijke gevallen, waarin er sprake is van een serieuze verdenking van een ernstig misdrijf zoals een overval en gebruik van wapens.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *