Pas later wordt het de mooiste tijd van je leven

Het lijkt de paradox van onze cultuur, waarin ons aan de ene kant een beeld wordt voorgehouden van de kindertijd als een paradijselijke toestand, van de jeugd als de periode waarin de wereld nog aan je voeten ligt en het leven ‘vurrukkulluk’ kan zijn, waarna het in de volwassenheid alleen maar minder – voorspelbaar, saai, grijs – wordt. Maar als we bekijken hoe het leven van jeugdigen en jongvolwassen daadwerkelijk wordt ervaren, laten de feiten een ander beeld zien.

Even over die feiten. Eind maart kwamen de GGD en het RIVM met de boodschap dat meer dan de helft van de jongvolwassenen tussen de 16 en 25 jaar psychische klachten ervaart. Dit op basis van een landelijk onderzoek onder 70.000 jongeren dat in 2022 werd uitgevoerd naar de gezondheid en het welzijn van jongeren en jongvolwassenen.

De uitkomsten van het onderzoek schetsen een ‘alarmerend beeld’, aldus de onderzoekers, maar passen in een trend die al enkele decennia gaande is en die in het coronatijdperk nog eens werd versterkt. Tijdens de pandemie bleken met name jongeren en jongvolwassenen te kampen met psychische problemen: de gevolgen van de lockdown, met zijn beperkingen in het onderwijs en de vrijetijdsbesteding. De verwachting was echter dat jongeren zich daarna snel zouden herstellen, maar dat lijkt niet het geval. Ze scoren nog steeds hoog op een scala aan problemen, variërend van suïcidale gedachten, depressieve gevoelens en eenzaamheid tot de ervaring van stress en prestatiedruk.

Een alarmerend beeld dus. Dat vindt ook staatssecretaris Maarten van Ooijen (ChristenUnie) van Volksgezondheid. Kort voor Pasen sprak hij zijn zorgen uit over de grote groep kinderen en jeugdigen met psychische problemen en de vele gezinnen die met opvoedingsproblemen kampen. Vijfentwintig jaar geleden kreeg 1 op de 27 kinderen jeugdzorg; nu is dat in de grote steden al 1 op 6, onderstreepte hij de omvang van het probleem. Als verantwoordelijke voor jeugdzorg en geconfronteerd met almaar oplopende wachtlijsten, is het zaak, zo meent hij, om te kijken waarom ‘zoveel jongeren gestrest en eenzaam’ zijn. Daarbij wijst hij op het Nederlandse gezinsleven; hij noemt het grote aantal echtscheidingen als een van de mogelijke oorzaken waardoor kinderen in de problemen komen.

De staatssecretaris onderkent de problemen, maar dan maakt hij een draai door op te merken dat wij ook te snel problematiseren wanneer kinderen ergens tegen aanlopen om vervolgens te vaak een beroep te doen op jeugdzorg om de problemen op te lossen. Hij voegt eraan toe: ‘we moeten onze kinderen af en toe ook de ruimte geven om te vallen’.

Er valt wel iets af te dingen op Van Ooijens analyse. Zelf ziet hij dat ook wel, want ja, terwijl jeugdzorg het werk nu al niet aan kan, moet hij juist bezuinigen. Het is dan verleidelijk de oplossing elders te zoeken: bij het gezin en de samenleving. Met enig cynisme zou je ook kunnen constateren dat de politiek ons weer eens kapittelt over zaken waarin ze vooral zelf heeft gefaald. Het decentralisatiebeleid in de jeugdzorg, de ontmanteling van allerlei netwerken (Van Ooijen pleit voor plekken waar jongeren kunnen rondhangen), om maar eens wat te noemen; ze hebben de positie van jongeren niet versterkt. En was het niet de partij van Van Ooijen die in 2007 ooit met een programmaminister jeugd en gezin (André Rouvoet) op de proppen kwam? Wat is daar dan van terechtgekomen?

Toch zou het een gemiste kans zijn om niet ook enige zelfkritiek te betrachten. Psychologen en pedagogen zijn de afgelopen decennia voortvarend geweest in het problematiseren van het gedrag van kinderen en jongeren, met steeds verfijndere diagnoses en een enorm aanbod aan psychologische hulpverlening. De meeste mensen hebben er ook steeds minder moeite mee om hun onbehagen over gedrag en opvoedingshandelen – van zichzelf en anderen – in termen van de psychologie en pedagogiek te verwoorden. Jongeren zijn daar al helemaal bedreven in.

Helaas blijven de effecten van veel behandelingen en adviezen daar ver bij achter. Of zoals kinderpsychiater Frits Boer, terugkijkend op zijn vak, zo’n vijftien jaar geleden al eens zei: ‘eerlijk gezegd vind ik dat we niet zo veel meer kunnen dan dertig jaar geleden […]’. Ik ben wel beter in staat om een verhaal te houden over hoe iets zit. Er is meer kennis. Maar dat is iets anders dan genezen’.

Komt dat omdat ons instrumentarium (nog) gebrekkig is of – minstens ten dele – omdat we een verkeerd beeld hebben van wat psychische problemen zijn? Onlangs betuigden de psychiaters bij monde van Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) hun spijt over het pathologiseren en behandelen van homoseksualiteit. Zou het niet kunnen dat we over twintig, dertig jaar opnieuw zullen vaststellen dat onze diagnoses en behandelingen – in retrospectief – onjuist waren? Misschien ben ik te pessimistisch. Hoe dan ook, sinds corona heeft, in de woorden van jeugdonderzoeker Gonneke Stevens (NRC 13 september 2022), ‘het beeld van onze blije, gelukkige jeugd […] een knauw gekregen’.

Wellicht zit daar een deel van het probleem: onze ambivalentie met betrekking tot de jeugdfase, waardoor we zowel te veel idealiseren als problematiseren. We maken ons zorgen om hun gedrag en problemen, maar tegelijkertijd houden we vast aan het (misplaatste) beeld van de gelukkige jeugd. Of zoals de Britse psychoanalyticus Adam Phillips ergens schrijft: ‘een van de grootste problemen voor adolescenten is tegenwoordig dat […] volwassenen hen zo vaak benijden’. Wat we benijden, zijn vooral de extremen en excessen in hun gedrag, in hun opwinding, hun hang naar risico, genot en seksualiteit, zelfs in hun verveling. Wie zich er als volwassene niet aan over heeft gegeven, verwijt zichzelf op latere leeftijd gemakkelijk zijn braafheid, constateert Phillips.

We vergeten echter dat jongeren net zozeer lijden aan hun excessen en extremen als dat ze er plezier aan ontlenen. Misschien zouden we onze jongeren en onszelf ermee moeten verzoenen dat een portie ongeluk, tegenslag en lijden bij het leven hoort. Of om de woorden van de staatssecretaris te parafraseren: ons af en toe de ruimte toestaan om te vallen.

En anders kunnen we jongeren altijd nog troosten met het vooruitzicht dat het later allemaal veel beter wordt met hun jeugd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *