Rechtsstaat en asielkind

Delen:
Kinderrechtenjaar 1979

Wat heerlijk dat we over zo’n leger van commentatoren, columnisten en analisten beschikken die ons twee weken geleden en bloc kwamen uitleggen dat mensenrechten als het erop aan komt aan de kant geschoven kunnen worden. Wat fantastisch dat er in ons welvarende land in de media zo’n consensus bestaat over de redelijke opstelling van het ‘motorblok’ als het om het vluchtelingenverdrag gaat. Een waarlijk visionaire geest noemde hun asielparagraaf, waarin de Turkije-deal als voorbeeld voor vluchtelingen-deals met Noord Afrikaanse landen wordt voorgesteld, zelfs ‘politieke vooruitgang’. Rob van Wijk spande waarschijnlijk de kroon met zijn stelling in Trouw dat ‘GroenLinks de rechtsstaat opoffert aan een ideaal dat al in 2015 achterhaald was.’ Hoe men de extreem lastige vluchtelingenproblematiek en de positie van ons  land daarin ook taxeert, wie vasthouden aan mensenrechtenverdragen voorstelt als bedreiging van de rechtsstaat zet de wereld op z’n kop. Dergelijk commentaar barst van het politieke venijn, maar is uiteraard niet serieus.

Toch is het niet alleen politiek venijn, belang of calculatie dat de redelijkheid op het punt van de vluchtelingenproblematiek in de weg staat. Er speelt soms ook een elementair gebrek aan kennis mee. Meestal is het tweede een gevolg van het eerste, maar dat hoeft niet. Zo werd ik onlangs gewezen op een pijnlijk voorbeeld van een naar ik hoop en mag aannemen zuiver elementair gebrek aan kennis. Op de site van de IND wordt vermeld dat de directeuren van de IND, de Dienst Terugkeer en Vertrek en de Raad voor de Kinderbescherming afgelopen najaar hebben besloten tot een nadere verkenning van elkaars werkveld. Daarin wordt de directeur van de Raad als volgt geciteerd: ‘Als kinderen geen verblijfsstatus hebben, kunnen ze ook geen aanspraak maken op regelingen en voorzieningen. Hierdoor kunnen ze ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.’

Wat krijgen we nu! Inderdaad, enige ‘nadere verkenning’ lijkt hier werkelijk dringend geboden! Het is immers precies omgekeerd: in ons land hebben kinderen zonder verblijfsrecht recht op alle jeugdhulp!  Hier mag geen misverstand over ontstaan. Op dit punt zijn de rechten van asielkinderen in onze rechtsstaat gelukkig nog steeds keurig geregeld en de paar specifieke uitzonderingen zijn eenvoudig terug te vinden in het besluit Jeugdwet.   Helaas heeft de Raad dit pijnlijk desinformerende bericht op 1 juni 2017 opnieuw onder de aandacht gebracht in het kader van de internationale dag van het kind. De IND op Twitter- -#Dagvanhetkind Lees in Vreemdelingenvisie hoe we met @DTenV en @RvdK_minvenj samenwerken in het belang van het kind https---t co-2lfq1HJmtN https---t.co-NZinJvKZGQ-En de IND heeft het dezelfde dag royaal doorgetwitterd. Het zou goed zijn als deze berichtgeving zo spoedig mogelijk wordt gecorrigeerd. Het zou nog beter zijn als dan ook meteen de informatie op de site van Raad onder het kopje ‘Vluchtelingenkinderen en jeugdhulp’ wordt aangescherpt en de lezer echt wordt geïnformeerd over de jeugdhulp voor deze kinderen.

De Kinderombudsman, Margrite Kalverboer, heeft het onderwerp van de asielkinderen zojuist weer op de agenda van de formatie gezet. Deze week lanceerde zij het voorstel om de voorwaarden voor het Kinderpardon te verruimen en het pardon nu eindelijk in de wet te verankeren. Zoals bekend voelt het zwaarste deel van het huidige politieke ‘motorblok’ hier niets voor. Dit voorstel sluit echter heel goed aan bij het initiatief van de ChristenUnie begin dit jaar, dat toen door een meerderheid in de Tweede Kamer werd gesteund. In het zicht van de verkiezingen (en de prognoses) legde staatssecretaris Dijkhoff dit besluit toen naast zich neer. Hij schreef aan de Kamer dat het kabinet de aanstaande kabinetsformatie het geschikte moment vond ‘om desgewenst de zorgen van de meerderheid van de huidige Kamer te wegen’. Waarschijnlijk staan de meeste commentatoren al weer klaar om dit voorstel als ‘niet realistisch’ af te schieten. Toch is het goed dat deze zorgen en deze claim nu opnieuw op tafel liggen, als een appèl aan het politieke en aan het pedagogisch geweten.

Een gedachte over “Rechtsstaat en asielkind

  1. Uit de blog van Ido Weijers blijkt dat er aandacht is voor de vluchtingenkinderen in Nederland. Ook goed om te zien dat er een brede interesse is voor wat de RvdK uitdraagt over het onderwerp belang van het kind in vreemdelingrechtelijke procedures. Het klopt wat Ido aangeeft, namelijk dat alle kinderen in Nederland recht hebben op jeugdhulp. De weerbarstige praktijk van de RvdK leert echter dat dit recht door deze kwetsbare doelgroep, kinderen en/of ouders zonder verblijfsstatus of met een onzekere verblijfsstatus, vaak niet verzilverd wordt. Dit komt vooral door de onbekendheid van deze rechten door instanties die met deze groep te maken hebben. En ook door de specifieke uitzonderingen, waar Ido in zijn blog ook al op doelt. Ouders zonder verblijfsstatus hebben geen recht op hulp. Vaak zijn het de ouders die door de moeilijke omstandigheden ondersteuning nodig hebben om hun kinderen onbedreigd te laten opgroeien, hiervoor zijn echter weinig mogelijkheden.
    Gelet op deze twee belangrijke constateringen, namelijk de onbekendheid over de rechten van kinderen zonder verblijfsstatus van instanties die met deze groep te maken hebben én het punt dat ouders zonder verblijfsstatus geen recht op hulp hebben, een aanvulling op eerdere berichtgeving: ‘Als kinderen geen verblijfsstatus hebben, kunnen ze in de praktijk helaas ook geen aanspraak maken op regelingen en voorzieningen. Hierdoor kunnen ze ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.’ En indien ze mogelijk ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd dan komt de RvdK in beeld. Het is niet in belang van kinderen dat de kinderrechter een ondertoezichtstelling uitspreekt en dus gedwongen hulp oplegt terwijl op dat zelfde moment de vreemdelingenrechter bekrachtigt dat hetzelfde kind Nederland moet verlaten. De RvdK vindt dat kinderen niet in onzekerheid moeten leven. Om tot een duurzaam perspectief voor vreemdelingenkinderen te komen is afstemming en overleg tussen justitiepartners nodig. Hierbij neemt elke organisatie zijn eigen besluit op grond van het overleg, de kennisdeling en de eigen verantwoordelijkheid. De RvdK acht het van belang om verder te gaan met de verkenning met de IND en DT&V. Door complexe casuïstiek te bespreken zie je bij elkaar hoe het belang van het kind gewaarborgd wordt, waar dit schuurt en waar dit beter kan. Het helpt als je elkaars organisatie kent en elkaar makkelijk weet te vinden, samen kom je soms tot betere oplossingen.”
    Mr. Suzanne de Koogel

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *