Hebben jongeren die aan samenwonen denken iets aan de nieuwe cijfers van het CBS?

 

Er wordt heel veel kwantitatief onderzoek gedaan waar we niets aan hebben. In Universiteitsbibliotheken staan boekenkasten vol met proefschriften, die bij alle onderzochte verbanden ‘geen effect’ melden. In de zogeheten discussie over de resultaten vraagt de promovenda zich zelden af wat de uitkomsten van haar onderzoek in de praktijk betekenen, maar doet ze suggesties voor nieuw onderzoek dat hoogstwaarschijnlijk opnieuw geen effecten zal opleveren. De beschrijvende statistieken die ons door de grote landelijke instituten als Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) worden aangeleverd zijn vooral interessant als ze niet bij onze verwachtingen aansluiten. De bestrijding van vooroordelen is van het grootste belang. Maar ook over het belang van een goed overzicht van de stand van zaken, over het belang van een goed beeld van de omvang van een verschijnsel, kan maar beter niet te badinerend worden gedaan in de trant: ‘Dat wisten we toch al lang.’ Gegevens over veranderingen door de tijd heen zijn altijd de moeite waard om kennis van te nemen. Laten we eens bekijken hoe het met de ontwikkeling van de kans op scheidingen staat.

Gisteren bood het CBS op grond van nieuw onderzoek inzicht in een aantal van die trends.

1. Bij een leeftijdsverschil tussen man en vrouw vanaf vijf jaar wordt de kans op scheiding groter. Van de stellen die in 2003 gingen samenwonen en minder dan twee jaar in leeftijd verschilden was na twaalf jaar 25 procent uit elkaar, van de stellen met een leeftijdsverschil van meer dan tien jaar 35 procent. Bij grote leeftijdsverschillen zijn relaties iets stabieler als de man ouder is.

2. Jonge stellen scheiden vaker. Als de vrouw bij de start van het samenwonen 18 tot 20 jaar was, was na twaalf jaar bijna de helft uit elkaar. Als de vrouw bij aanvang 25 jaar of ouder was lag het scheidingspercentage na twaalf jaar rond een kwart.

3. Hoogopgeleide paren gaan het minst vaak uit elkaar. Het verschil met twee laagopgeleide partners is groot: 19 procent tegenover 31 procent. In het geval van “gemengde” paren is er iets meer stabiliteit als het de man is, die hoogopgeleid is.

4. Eerder stelde het CBS al vast dat ongetrouwde stellen en stellen zonder kinderen vaker uit elkaar gaan. Ook als er kinderen uit een eerdere relatie zijn, bij gemengde relaties met een migratieachtergrond, als een of beide partners nog studeren, en als het paar een laag inkomen heeft, wordt er vaker gescheiden.

Hebben jongeren die aan samenwonen denken nu iets aan deze cijfers van het CBS? Hebben ouders iets aan deze gegevens om hun kinderen over het al dan niet aangaan van “partnerrelaties voor het leven” beter van advies te kunnen dienen? De feiten zijn het wat mij betreft echt allemaal waard om gekend te worden, maar om er levensbeslissingen op te baseren zijn de gerapporteerde verschillen te klein. Het enige advies dat ik op grond van deze feiten – in het volle besef dat het hier om niet causale relaties maar om correlaties gaat – zou willen geven is om niet te jong te trouwen, niet voordat de vrouw een jaar of 25 is. Alhoewel.*

  • Een levenspartner voor het leven is bijzonder geworden. 

Maar het is echt veel belangrijker dat jongeren ervan doordrongen worden dat als ze een “partnerrelatie voor het leven” willen aangaan zich realiseren dat de kans dat dat helemaal niet voor het leven zal zijn wel heel groot is. In dat kader is het van groot belang om duidelijk te maken dat er geen enkele grond is voor het romantische ideaal waarvan reclame en kunst & cultuur – van hoog tot laag – ons, tot op de dag van vandaag, proberen te doordringen. In dit verband deed E.A. Godot bijvoorbeeld in 2003 een geslaagde poging om aan te tonen dat ‘de ware’ niet bestaat. Iedereen begrijpt dat het wel heel toevallig is dat van de wereldwijd miljarden mogelijke huwelijkskandidaten wel heel vaak het buurmeisje of -jongen ‘de ware’ blijkt te zijn, maar bijna niemand laat zich het idee dat er toch maar één ware moet zijn afnemen.

Het mooie is dat er ook echt empirisch bewijs is voor de gevaren van de verkeerde voorstelling van zaken waar Godot voor waarschuwde. Er was door de jaren heen heel veel onderzoek gedaan naar de al te romantische inhoud van de Disney-cultuur, maar wat de effecten daarvan op de vorming van kinderen en jongeren betreft moesten we het lange tijd met vermoedens doen. In augustus 2015 presenteerden Merel van Ommen, Madelon Willems, Nikki Duijkers, Serena Daalmans en Rebecca de Leeuw van de Radboud Universiteit Nijmegen op het congres van The Association For Education In Journalism & Mass Communication in San Fransisico de resultaten van hun onderzoek ´And they Lived Happily Ever After. Associations Between Watching Disney Movies and Romantic Beliefs of Children.´ In een survey werden 315 kinderen tussen 9 en 13 jaar gevraagd naar hun romantische overtuigingen, hun gezinssituatie én hun Disneyfilm-kijkgedrag. Voor het algehele wereldbeeld dat kinderen in hun ontwikkeling opdoen blijkt Disney hoe dan ook  een belangrijke informatiebron te zijn. Wat het romantische ideaal betreft: Disneyfilms zitten volgens de Nijmeegse onderzoekers vol met ingrediënten die sterk verbonden zijn aan drie belangrijke facetten van het romantisch ideaal: 1. ‘Liefde op het Eerste Gezicht’ (zodra Assepoester haar prins voor het eerst ziet zingen ze samen ‘so this is love, so this is what makes life divine’), 2. ‘Liefde Overwint Alles’ (de zin ‘Love Finds a Way’ wordt letterlijk uitgesproken in The Lion King 2 en The Princess and the Frog), en 3. ‘de Enige Ware Liefde’ (Doornroosje en Sneeuwwitje worden allebei wakker gekust door de enige echte prins). Van Ommen e.a. vonden in hun studie een directe relatie tussen het kijken naar Disneyfilms en het geloof in een romantisch ideaal. Hoe meer Disneyfilms de kinderen gezien hadden, hoe meer ze geloofden in ‘liefde op het eerste gezicht’, ‘liefde overwint alles’ en ‘de enige ware liefde’. Zelfs bij kinderen met gescheiden ouders bleef het geloof in een romantisch ideaalbeeld dankzij Disney overeind. De onderzoekers stelden wel vast dat het geloof in ‘de eeuwig durende liefde’ bij de kinderen afnam naarmate ze ouder werden.

De opvoeder weet wat haar te doen staat, zou ik zeggen. Het is bijzonder dat de Nederlandse wetgever reeds de nodige maatregelen genomen heeft. Het huwelijk in gemeenschap van goederen is vanaf 1 januari 2018 niet meer het standaard bruiloftsarrangement. Vanaf die datum wordt elke nieuwe echtelijke verbintenis gesloten op huwelijkse voorwaarden. Eind jaren tachtig startte de rijksoverheid de campagne `Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. De campagne was gericht op meisjes die in 1972 en later waren geboren en dus in 1990, of daarna, 18 jaar werden en van wie economische zelfstandigheid werd verwacht. De vraag is of de overheid hier een emancipatorisch of toch vooral een economisch motief moet worden toegedicht.

Godot, E.A. (2003). Over het aardige, merkwaardige, maar onhoudbare idee van ´De ware´. In Hoezo pedagogisch? Amsterdam: SWP.

Noot* De schrijver van dit blog trouwde op 24-ste. Zijn bruid was toen 20 jaar oud en zij had wettelijk nog de toestemming van haar ouders nodig. Zij vierden onlangs hun 47-jarig huwelijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *