Lekker voorlezen

‘Kinderen houden van lezen. Ook al zeggen ze soms van niet, als je met ze gaat zitten en ze afwisselend voorleest en zelf laat lezen, dan houden ze van lezen.’ Met deze stelling begint een recente column van Tommy Wieringa, waarin hij vertelt over zijn voorleeservaringen met kinderen van zes tot negen jaar op de school van zijn dochters, een paar ochtenden in de week, altijd in groepjes van twee. Natuurlijk is het (voor)leesplezier van kinderen afhankelijk van een aantal condities, zoals het voorleesvermogen van de voorlezer en de vraag wat ie meebrengt om (uit voor) te lezen, maar ook in welke omgeving – school, thuis of bij opa en oma – en op welk moment – midden op de dag of voor het slapen gaan. En niet te vergeten de ontwikkelingsleeftijd van het kind.

Wieringa leest verhalen voor over de wonderbaarlijke reizen van dieren, die hij losjes verbindt met de menselijke migratie. Hij leest bijvoorbeeld voor over de wereldzwerver, een soort libellen die elk jaar tienduizend kilometer aflegt. Ze vliegen van India naar Oost-Afrika en terug, en over die reis doen ze liefst vier generaties. De betovergrootouders vertrekken uit India en pas hun achterkleinkinderen komen een jaar later weer aan op de oorspronkelijke plaats van vertrek. ‘Je verstand staat er bij stil.’

Een van zijn andere succesnummers blijkt een bundel Russische kindergedichten in het Nederlands vertaald onder de titel Bij mij op de maan: ‘Zelfs de hardnekkigste gamer gaat om bij dokter Oudoetzeer van Kornej Tsoekovski, over een dokter die naar Afrika gaat om dieren te genezen maar in zee belandt: “O, als ik nu verdrinken zou,/ en naar de bodem zinken zou …” Op de rug van een walvis vervolgt hij zijn reis naar de zieke dieren. “De pokken en de mazelen hebben ze/ Krampjes en kolieken hebben ze/ Bleekzucht en geelzucht hebben ze/ En ook nog de hik.”’

Dat lijkt goed aan te sluiten bij de sfeer van de nieuwe bundel kinderpoëzie Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt. Gedichten waar je wat aan hebt van Edward van de Vendel met prachtige illustraties van Martijn van der Linden. Jazeker, het openingsgedicht van Van de Vendel, die drie jaar geleden de Wouter Pieterse Prijs kreeg, geeft antwoord op de vraag wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt: ‘Allereerst:/ sorry zeggen./ Daarna:/ Met jezelf overleggen/ hoe je hem terug gaat laten struikelen.’ Het is een bonte verzameling gedichten, variërend van grappig tot serieus. Zo gaat een van de gedichten over wat je moet doen als je moeder huilt: ‘Ga/ naast haar zitten,/ tegen haar aangeschoven:/ je armen van onder tot boven/ dicht op die van haar.’ Met als slot: ‘Mama giet eindelijk/ geen verdriet meer op de dingen/ en buiten begint de zon/ Griekse liedjes te zingen.’

Ik heb geen van deze teksten nog zelf uitgeprobeerd, maar het lijkt me aardig om de stelling van Tommy Wieringa hierop te testen en te ervaren of kinderen aan onze lippen hangen bij het gedicht over de jongen die over een nijlpaard struikelt en het gedicht over dokter Oudoetzeer op weg naar zieke dieren in Afrika.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *