De zittingen bij de kinderrechter kunnen nog best wat kindvriendelijker

De rechter vraagt aan de 17-jarige verdachte of ze het vonnis begrijpt, waarop het meisje vertwijfeld uitroept: ‘Ik begrijp er helemaal niks van, het zijn van die moeilijke woorden allemaal!’

Dat schreef ik precies 20 jaar geleden in mijn boek Schuld en schaamte: een pedagogisch perspectief op het jeugdstrafrecht. Voor dat boek had ik onder andere op diverse plaatsen een serie voorgeleidingen en zittingen bij de kinderrechter bijgewoond. Ik constateerde dat onze kinderrechters en jeugdofficieren erg hun best deden, maar dat er nog veel te verbeteren viel op het elementaire punt van taalgebruik en in bredere zin van de algehele communicatie tijdens de zitting en daarmee het pedagogisch doordacht betrekken van kinderen en hun ouders bij de zitting.

Dit project kreeg kort daarop een langdurig vervolg, toen vele studenten onder mijn begeleiding door het hele land zittingen bij de kinderrechter gingen bijwonen en daar aan de hand van een vaste onderzoekssystematiek verslag over uitbrachten. Behalve in Nederland werden ook talloze kinderzittingen elders in Europa, Amerika, Canada en Australië bezocht, steevast gevolgd door publicaties in diverse talen. In 2011 brachten Stephanie Rap en ik op grond van ruim 3000 bijgewoonde zaken in 50 kinderrechtbanken in Europa verslag uit in een rapport voor de Raad voor de Rechtspraak en deden we een serie aanbevelingen voor een kindvriendelijker kinderzitting. Nederland deed het vergeleken bij andere landen zeker niet slecht, maar er viel nog wel het een en ander te leren van de praktijk in andere landen en het kon op een aantal punten zeker beter. Intussen gaf ik jarenlang cursussen en trainingen aan kinderrechters en jeugdofficieren over de communicatie met jongeren en ouders. Stephanie Rap werkte dit onderzoek verder uit en promoveerde daarop in 2013 met een fraaie studie. En het jaar daarop publiceerden we samen een toegankelijk Engelstalig boek over dit onderwerp.

Zouden al die academische inspanningen richting de praktijk van de zitting bij de kinderrechter nu enig effect hebben gehad? Ik hoop natuurlijk van wel. Maar ik heb ook echt de indruk dat zowel in jeugdstrafzaken als in civiele zaken, zoals kinderbescherming en scheiding en omgang, het besef dat de kinderen actief betrokken moeten worden, actief naar hun mening moet worden gevraagd, dat ze goed en in toegankelijke taal moeten worden geïnformeerd en als procespartij serieus moeten worden genomen, de laatste jaren werkelijk is toegenomen. Maar het kan nog altijd beter.

Daarom is het verheugend dat in een zojuist verschenen rapport van de universiteit Leiden een lans wordt gebroken voor de gedachte om er op een aantal punten bij familie- en jeugdzaken nog een schepje bovenop te doen. Zo heb ik er altijd, op basis van ontwikkelingspsychologisch inzicht, voor gepleit om kinderen pas vanaf 14 jaar volgens het strafrecht te vervolgen, maar tegelijkertijd om ze op basis van datzelfde inzicht in het civiele recht als het maar enigszins mogelijk is op jonge leeftijd op kindadequate wijze te horen. Dit is een van de punten die nu terugkeert in dit rapport, maar ik moet er direct bij zeggen dat sommige rechtbanken op dit punt echt al lang heel goed bezig zijn. Andere belangrijke aanbevelingen betreffen bijvoorbeeld de verbetering van de rol van de bijzonder curator, zodat die minder optreedt als deskundige voor de rechter en primair als belangenbehartiger van het kind; en de mogelijkheid dat het kind een eigen vertrouwenspersoon mag meenemen als een rechter hem hoort.

Het rapport bepleit ook dat de uitspraak na de zitting zo wordt opgeschreven dat die ook voor kinderen begrijpelijk is. De laatste jaren zie ik daarvan overigens vaak al voortreffelijke voorbeelden. Maar af en toe stuit ik toch ook nog wel eens op taalgebruik waarbij ik moet terugdenken aan die zeventienjarige en haar vertwijfelde uitroep over ‘die moeilijke woorden allemaal!’

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *