Een les uit de zaak Gökmen T: bescherm het slachtoffer

In 2002 maakte ik een studiereis door Australië en Nieuw-Zeeland gecombineerd met een aantal presentaties van het boek Punishing Juveniles van Antony Duff en mij aan verschillende universiteiten. Doel van mijn studiereis was de bestudering van de praktijk van herstelrecht zoals die daar inmiddels was ontwikkeld. Internationaal was er in de jaren daarvoor veel enthousiasme ontstaan voor vormen van restorative justice en ook in Nederland en België ontstond hiervoor interesse, vooral als het om jonge daders zou gaan. Daarbij werd steevast verwezen naar positieve ervaringen down under. Dat in die landen vooral werd gedacht aan jonge daders bleek meteen al uit de naam die daar gebruikelijk was, namelijk Youth Conference of Family Group Conference (FGC). Ik was benieuwd hoe deze veelgeprezen aanpak er in de praktijk uit zag en heb daar maandenlang herstelgesprekken in alle mogelijke settings mogen observeren. Het is niet mijn bedoeling om nu uitvoerig stil te staan bij mijn ervaringen en gemengde gevoelens in beide landen. Daarover heb ik indertijd verslag gedaan en ook naderhand veelvuldig op gereflecteerd , onder meer als instigator en jarenlang adviseur van de Nederlandse aanpak van het herstelgesprek door Slachtoffer in Beeld, tegenwoordig actief onder de naam Perspectief Herstelbemiddeling.

Ik richt me in dit blog op één aspect en dat betreft de positie van het slachtoffer. Een van de eerste dingen die me down under trof was namelijk het gebrek aan focus als gevolg van verwarring over de doelstellingen en motieven die er voor deze praktijk werden gehanteerd. Sommigen vonden dat deze aanpak draaide om de gedachte dat het slachtoffer langs deze weg aan het woord kon komen en perspectief kon worden geboden op enige genoegdoening. Voor anderen stond echter de jonge dader centraal. Zij benadrukten dat het er in de eerste plaats om ging met deze aanpak de jonge dader besef bij te brengen van de impact van zijn daad bij de slachtoffers. Weer anderen stelden daarentegen voorop dat hiermee de maatschappelijke reactie op het delict werd ‘teruggelegd’ bij de direct betrokkenen, een typisch abolitionistisch motief – het herstelgesprek als alternatief voor de strafrechtelijke reactie. Die verschillende motieven en doelstellingen leidden ertoe dat de praktijk overal behoorlijk verschillend was ingericht.

Ik denk dat ik als gevolg van deze onvoldoende doordachte motivering van de praktijk van restorative justice in beide landen, diverse keren getuige ben geweest van situaties waarin in ieder geval één partij duidelijk tekort kwam en in feite in de steek werd gelaten en dat was het slachtoffer. Een politieman die zo nadrukkelijk excuses bleef eisen van een van de jonge betrokkenen dat die halverwege de zitting wegrende, waarna de coördinator achter deze jongere aanrende en daarmee het zwaar getraumatiseerde slachtoffer volledig aan haar lot over liet. Een duidelijk verstandelijk beperkte jongere die samen met zijn ouders was opgetrommeld om bij een herstelgesprek aanwezig te zijn, maar daar totaal geen sjoege gaf en niet reageerde op wat het slachtoffer naar voren bracht. Ouders die omstandig het woord namen om hun pubers vermanend toe te spreken, terwijl de jongeren samen een beetje schaapachtig zaten te lachen toen het slachtoffer vertelde dat hij geen oog meer dicht deed na de inbraak in zijn woning.

Ook in Nederland trof ik begin deze eeuw nog situaties aan waarbij het slachtoffer er niet alleen bekaaid af kwam, maar in feite voor de tweede maal werd gevictimiseerd. Maar al spoedig werd de praktijk hier op dit gebied geprofessionaliseerd, juist toen die werd verbonden met de stichting Slachtofferhulp Nederland. Dit betrof niet alleen de coördinatie van het gesprek zelf, maar vooral ook het feit dat ruim tijd en aandacht werd geïnvesteerd in de voorbereiding. Er wordt zorgvuldig stilgestaan bij de vraag of de dader wel enig besef had van wat hij had aangericht en enig schuldbesef en wellicht spijt had en het slachtoffer werd zorgvuldig voorbereid op hetgeen hij kon verwachten van de kant van de jonge dader. Er werd met hem besproken of hij er wel voor voelde om met een jonge dader geconfronteerd te worden bij wie wellicht vooral door onnozelheid sprake leek van weinig schuldbesef.

Aan die eerdere pijnlijke voorbeelden moest ik denken bij het zien van fragmenten uit het proces tegen Gökmen T., de ‘tramschutter’, waarbij een slachtoffer aan het woord kwam dat  werd beschimpt door de verdachte. Een duidelijk voorbeeld van wat wordt aangeduid als secundaire victimisatie. In de NRC werd de terechte vraag opgeworpen of het spreekrecht voor slachtoffers wel tot zijn recht komt als de verdachte het leed alleen maar vergroot door zijn opstelling op de zitting. Dit mogelijk pijnlijke optreden van de verdachte werd gekoppeld aan zijn waarschijnlijk gebrekkige toerekeningsvatbaarheid.

Dat is echter een te beperkte voorstelling van zaken wat betreft de bescherming van het slachtoffer. Zo doen zich zo nu en dan strafzaken tegen jonge daders voor waarbij deze, samenhangend met een verstandelijke beperking, een stoornis of een eenvoudigweg nog nauwelijks ontwikkeld empathisch vermogen, niet alleen volstrekte onverschilligheid demonstreren tegen hun slachtoffers, maar zich zelfs permitteren het slachtoffer te onderbreken en tegen te spreken. (Wat overigens nog erger is, is het feit dat sommige advocaten eenzelfde minachting ten opzichte van de slachtofferverklaring etaleren en daarmee hun jeugdige cliënt volstrekt in de verkeerde richting sturen.)

Wat hier nodig is, is allereerst vergelijkbaar met de stappen die op dit punt ter bescherming van het slachtoffer zijn gezet in het slachtoffer-dadergesprek. Dat is een zorgvuldige voorbereiding van beide partijen op hetgeen ze kunnen verwachten gelet op de persoon met wie ze te maken hebben. Als op grond van die verkennende gesprekken duidelijk wordt, dat het slachtoffer risico loopt op een weinig begripvolle of zelfs pijnlijke opstelling van de verdachte, en het slachtoffer bij zijn wens blijft om een verklaring af te leggen, dient vervolgens te worden overlegd met de rechter (en de raadsman van de verdachte) of het verstandig is de verdachte aanwezig te laten zijn bij de slachtofferverklaring. En indien daartoe wordt besloten dient de rechter de raadsman van de verdachte helder te instrueren en er bovenop te zitten als de verdachte zich onbetamelijk gedraagt en hem dan ogenblikkelijk uit de zaal te laten verwijderen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *