Hoe we de geschiedenis aan kinderen vertellen

Delen:

 

De laatste tijd is er geen gebrek aan geschiedenis. Nog midden in de oorlog tussen Oekraïne en Rusland, zijn we sinds 7 oktober getuige van de strijd tussen Israël en Hamas en wat je standpunt ook is, deze kwesties geven voldoende aanleiding tot zorgen. Over beide conflicten is dan ook al opgemerkt dat ze de internationale verhoudingen weleens ingrijpend en blijvend kunnen veranderen. Maar hoe? Dat zal de geschiedenis ons moeten leren. Maar hoe leer je eigenlijk de geschiedenis? En welke geschiedenis?

De officiële geschiedenis is dat wat wij op school leren en wordt gedragen door onze instituties, de Nederlandse Staat, het parlement, politieke partijen en politieke rituelen (zoals Prinsjesdag), nationale feesten en herdenkingen, maar ook door onze internationale betrekkingen (EU, VN, Navo, enzovoort). Ook wat terechtkomt in musea en bibliotheken of wordt opgenomen in het straatbeeld (standbeelden en monumenten) draagt daaraan bij. Wie daar kennis van neemt, krijgt een min of meer coherent beeld van de geschiedenis zou je denken.

Naast deze officiële geschiedenis bestaat er echter ook een officieuze geschiedenis. Die zit in allerlei vanzelfsprekendheden in onze taal, in ons gedrag, in gebaren en in allerlei culturele uitingen als romans, films, cartoons en diverse vormen van media(gebruik). Ze zijn veelal niet expliciet als (weerslag van de) geschiedenis bedoeld, maar dragen daar wel aan bij.

Iedereen is onderhevig aan de invloed van die officieuze geschiedenis, maar nooit sterker dan tijdens de kindertijd, aldus de Franse historicus Marc Ferro in zijn nog steeds actuele studie Hoe de geschiedenis aan kinderen wordt verteld uit 1981. Zijn boek vangt aan met de omineuze woorden: ‘Laten we het ons goed realiseren: het beeld dat wij hebben van andere volken, of van onszelf, is verbonden met de geschiedenis die ons is verteld toen we kind waren. Daardoor worden we getekend voor ons hele leven’.

Voordat kinderen via het onderwijs in aanraking komen met de geschiedenis, horen ze van alles: thuis, op straat, van vriendjes, soms nadrukkelijk, vaak terloops. Daarnaast worden ze overspoeld door beelden, die informatief, soms ook manipulatief zijn, maar vrijwel altijd emotioneel geladen en verwarrend. Kinderen ontberen bovendien – in tegenstelling tot volwassenen – het referentiepunt van de officiële geschiedenis.

Nu zou je kunnen denken dat die officieuze geschiedenis, zo gauw als het kind deelneemt aan het onderwijs, steeds meer plaatsmaakt voor de officiële geschiedenis. Ferro laat echter zien hoe die vroege versie van de geschiedenis hardnekkig stand kan houden en zich door het onderwijs moeilijk laat corrigeren.

Dat is niet per se negatief. Zo bespreekt hij hoe ten tijde van de Sovjet-Unie in Oekraïne de officiële geschiedenis op school vaak weersproken werd door de versie die men thuis aan kinderen vertelde. Pas na de val van de Muur kon die officieuze versie door een voormalige Sovjetstaat worden opgevat als de geschiedenis van hun land.

Vaak lopen officiële en officieuze geschiedenis op ondoorzichtige wijze door elkaar. Zo laat Ferro voor Nazi-Duitsland zien dat de nationaalsocialisten ‘de taal van de straat’ begonnen te spreken om zo de jongste generatie te inspireren. Zij begrepen dat je daar de media (radio en film) als propagandamiddel voor kon inzetten. Al in Mein Kampf schreef Hitler dat het zaak was ‘onze helden […] op zo indringende wijze te presenteren dat zij tot pijlers worden van een onwankelbaar gevoel […] Ik wil niet dat men geschiedenis leert, maar dat men van haar leert’.

Na de oorlog bleek de generatie die sinds 1930 opgegroeid was – doordrenkt met nationaalsocialistische denkbeelden – de meeste moeite te hebben om haar morele kompas bij te stellen. Zij kenden geen ander referentiepunt dan dat van het nationaalsocialisme en dat viel in een keer weg.

Ferro geeft diverse voorbeelden van het ‘gebruik en misbruik van de geschiedenis’, die weer gemakkelijk aangevuld kunnen worden met andere, denk aan de voormalige conflicten in Noord-Ierland of Baskenland.

Het conflict tussen Israël en de Palestijnen past naadloos in Ferro’s betoog. Zij bevechten elkaar niet alleen om de rechten op een stuk grond, maar ook om hun versie van de ‘ware’ geschiedenis en het gelijk dat ze daaraan ontlenen. Dat ‘gevecht’ vindt niet alleen in de schoolbanken plaats, maar daarvoor al in de huiskamer en op straat. Die strijd om de ‘ware’ geschiedenis wordt wereldwijd geëxporteerd naar potentiële bevriende landen, om hen zo tot medestander in de strijd te maken.

Lang schaarde Nederland en haar bevolking zich daarbij aan de kant van Israël, deels uit solidariteit met het Bijbelse Israël, zoals in christelijk Nederland lange tijd vanzelfsprekend was, maar vooral als respons op de verschrikkingen van de Holocaust. Inmiddels zien we dat dit voor de jongere generaties steeds minder een rol speelt in hun positiebepaling, terwijl voor de Nederlandse moslims de sympathieën historisch gezien altijd al uitgingen naar de Palestijnen.

Nu ook in Nederland partijen pro en contra Israël dan wel de Palestijnen elkaar in de haren vliegen is het buitenlandse conflict in feite ook een binnenlands conflict geworden.

Ferro’s analyse van het probleem, de doorwerking van de officieuze geschiedenis in de denkbeelden van mensen, leidt niet zomaar tot een pasklare oplossing. Maar een begin daarvan ligt bij het besef dat veel van ons terloopse doen en laten effect heeft op de manier waarop kinderen de (historische) werkelijkheid waarnemen en interpreteren.

Kinderen die opgroeien met de taal van de haat voor de tegenstander, hebben een lange weg te gaan voor ze zich een gedeeld perspectief eigen kunnen maken. In die zin zouden onderhandelingen tussen de strijdende partijen niet alleen moeten gaan over wie recht heeft op welk stuk land, maar ook moeten streven naar een begin van een gemeenschappelijke perspectief op geschiedenis.

Het officiële onderwijs zou daar vorm aan moeten geven, en het onderwerp van het Israëlisch-Palestijnse conflict niet uit de weg moeten gaan, maar minstens zo belangrijk is dat we pogen om er thuis, in de publieke ruimte en de media zo genuanceerd mogelijk over te spreken.

Dat is wat kinderen van nu oppikken en wie nu zorgvuldig met de geschiedenis omgaat, kan daar jaren later hopelijk de vruchten van plukken.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *